Lente

Toen ik vanmorgen op de fiets over de Europaboulevard reed, zag ik haar net als gisteren weer staan. Wachtend. Met haar fiets. Op een hoek.
Een meisje van veertien. Met de voor die leeftijd zo typerende gewichtsloze blik. Die zowel verlegenheid, vervoering als verveling kan betekenen.
Terwijl ik haar passeerde, reed vlak achter mij een fietser de stoep op. De jongen zelf zag ik niet: ik hoorde alleen zijn stem.
‘Moest je lang wachten?’
En ik wist: ooit, over dertig, veertig jaar, komt er een moment waarop ze zich dit ogenblik herinneren.

De kunst van het losmaken

Niets zo goed tegen stress als wat snoeien in de tuin. Het is een soort mediteren. Een vorm van arbeid waar je maar een dun laagje van je bewustzijn bij nodig hebt. Zodat het overige deel alle kanten op kan waaien. Over de grenzen van de tuin en nog veel verder. Naar niks en nergens.
Het is pure zen.
Mindfullness. Wholeness. Of wat voor ‘ness’ dan ook.
Alleen dan wel veel goedkoper.
Vooral in de eerste dagen van het voorjaar is het heerlijk. Ik begin altijd met de hop, in het hoekje van onze tuin. Niet alleen omdat die warboel van verdroogde en in elkaar gevlochten ranken zo heerlijk opruimt. Het genot is ook gelegen in het feit dat in die kluwen een clematis schuil gaat.
Voorzichtig haal ik de takken van de hop weg. Knip. Ik aanschouw mijn werk. Knip. Las een moment van contemplatie in. En met elke knip van mijn snoeischaar leg ik een stukje van de reeds uitbottende clematis bloot.
Hoe zegt de beeldhouwer het ook al weer? Het beeld zit al in de steen, je hoeft het er alleen nog maar uit te bevrijden.
De kunst van het losmaken.
Zoiets is het, ja.

Tellen

Toen de sneeuw laatst eindelijk uit onze achtertuin was verdwenen, werden wij verrast door de bloeiende irisjes die daaronder vandaan kwamen. Zo maar. Als een stukje taart dat iemand voor je in de koelkast heeft bewaard. En alsof het allemaal niet op kon scheen de zon vandaag ook nog eens genereus.

We gingen naar de Zuiderheide, omdat ik het altijd weer mooi vind om daar vanuit het bos naar de rand van de stuwwal te lopen, waar de heide afloopt naar de Eemvallei. Wat zal het hoogteverschil zijn? Nog geen twintig meter, denk ik. Maar toch in al zijn eenvoud spectaculair.

Sommige dingen gaan erop vooruit in de winter. Het mos, bijvoorbeeld, dat bijna fluorescerend groen oplichtte tussen de donkere heide en het witte zand. Alsof het net als wij het voorjaar vierde. En de berkjes natuurlijk, die in de wintermaanden hun moments of fame beleven. Als hun witte stammetjes zo fijntjes gepenseeld mooi staan te zijn, bekroond met een wazig purperen takkenkroon.

We dronken een kopje koffie bij theehuis ’t Bluk en aten halverwege op een bankje een mandarijntje. Achter ons rug passeerde ons een gezin waarvan de vader van het informatiebord oplas dat de zeven grafheuvels op de Zuiderheide 4000 jaar oud zijn. Zijn zoon protesteerde. Zei dat dat niet kon omdat we pas bij tweeduizend waren. Mooi was dat.

Wij zaten met ons rug naar ze toe en het duurde misschien twee seconden, een drietal gedempte voetstappen op de zandgrond, totdat ik het antwoord van de moeder hoorde, die zei dat we ‘op een gegeven moment waren begonnen te tellen’.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik vond dat van een prachtige elegantie.

 

Publieke ruimte

Vanmiddag was het plotseling mooi voorjaarsweer. Zo onverwacht dat wij ons eerst eens op het achterhoofd krabden en toen besloten om een kijkje te nemen bij het nieuwe filmmuseum.
We waren niet de enige.
Het was er druk, erg druk. Maar mooi is het wel en de stad is een mooi gebouw en een fijne plek rijker.
Daarna met het pontje weer terug naar de stad en langs het IJ naar het Oosterdok gelopen. Ik ben blij met de IJ-oevers. Met de wijken die er zijn gekomen, de woningen, bedrijven, winkels en horeca. U hoort mij niet klagen.
We liepen langs de binnenhaven weer terug naar het CS. Dronken wat buiten op het terras van Hanneke’s boom, aan de Dijksgracht. Wipten nog even naar binnen bij de bibliotheek en gingen toen weer terug naar huis.
Het was een fijne middag, met echte voorjaarszon en wind van een serieuze havenstad.
Maar een ding begrijp ik niet en heb ik nooit begrepen: waarom zijn wij zo slecht in het ontwerpen en vormgeven van de publieke ruimte? We bedenken goede plannen en zetten mooie gebouwen neer. Maar een kade, straat, park of plein, nee, dat zit niet in ons bloed.
Misschien zijn wij simpelweg een volk van “binnen”. En als wij aan “buiten” denken, dan komen wij niet veel verder dan een stoel op straat zetten.
En dat noemen wij dan een terrasje.

Voorjaar

Zag vanmiddag het staartje van de zevende etappe van Parijs-Nice. Van Sisteron naar Nice ging het, in deze editie van de Rit naar de Zon.
Ach ja, Nice, op 10 maart 2012. Het peloton over de Promenade des Anglais. De toeschouwers in hemdsmouwen, met de hand de ogen afschermend tegen de zon. De turquoise zee die wellustig tegen het zand aanschurkt. De lange schaduwen van de renners.
Ik houd van badplaatsen in het vroege voorjaar. De sfeer die een mengeling van heimwee en verlangen is. Als dat al twee verschillende dingen zijn, natuurlijk.
Ergens, als ik mij nog maar kon herinneren waar, schreef Pavese: ‘Het enige dat mij rest van mijn jeugd is de zomer.’ Of woorden van gelijke strekking.
Daar moest ik aan denken terwijl Thomas de Gendt de etappe won.
Ach ja, Nice, op 10 maart 2012. Het was er vijftien graden en onbewolkt.
Dat u het maar weet.