Tellen

Toen de sneeuw laatst eindelijk uit onze achtertuin was verdwenen, werden wij verrast door de bloeiende irisjes die daaronder vandaan kwamen. Zo maar. Als een stukje taart dat iemand voor je in de koelkast heeft bewaard. En alsof het allemaal niet op kon scheen de zon vandaag ook nog eens genereus.

We gingen naar de Zuiderheide, omdat ik het altijd weer mooi vind om daar vanuit het bos naar de rand van de stuwwal te lopen, waar de heide afloopt naar de Eemvallei. Wat zal het hoogteverschil zijn? Nog geen twintig meter, denk ik. Maar toch in al zijn eenvoud spectaculair.

Sommige dingen gaan erop vooruit in de winter. Het mos, bijvoorbeeld, dat bijna fluorescerend groen oplichtte tussen de donkere heide en het witte zand. Alsof het net als wij het voorjaar vierde. En de berkjes natuurlijk, die in de wintermaanden hun moments of fame beleven. Als hun witte stammetjes zo fijntjes gepenseeld mooi staan te zijn, bekroond met een wazig purperen takkenkroon.

We dronken een kopje koffie bij theehuis ’t Bluk en aten halverwege op een bankje een mandarijntje. Achter ons rug passeerde ons een gezin waarvan de vader van het informatiebord oplas dat de zeven grafheuvels op de Zuiderheide 4000 jaar oud zijn. Zijn zoon protesteerde. Zei dat dat niet kon omdat we pas bij tweeduizend waren. Mooi was dat.

Wij zaten met ons rug naar ze toe en het duurde misschien twee seconden, een drietal gedempte voetstappen op de zandgrond, totdat ik het antwoord van de moeder hoorde, die zei dat we ‘op een gegeven moment waren begonnen te tellen’.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik vond dat van een prachtige elegantie.

 

Horrorwinter

Kon het niet laten om vandaag in de druilerige regen naar het ijs te gaan kijken. Lag er troosteloos en verlaten bij. Smeltend ijs. Als mijn moeder vroeger het vriesvak van de koelkast ontdooide, keek ik altijd toe hoe de grote brokken ijs die zij in de gootsteen gooide langzaam smolten. Soms zette ik de kraan een klein beetje open om te zien hoe het straaltje water het ijs aantastte, van kleur en structuur deed veranderen, bros maakte, uiteen deed vallen. Had daarbij altijd ondergangsvisioenen van uitstervende dinosaurussen en ineenstortende culturen.
Tsja.
De wrede fantasieën van een kind; dan ben ik toch wat milder geworden.
Even verderop zaten vogels van verschillend pluimage bijeen in een open stuk water. Eenden, zwanen, meerkoeten, smienten, waterhoentjes, ze snaterden er gezellig op los. Ik bleef even staan kijken en wist toen wat ze zeiden: ‘Het heeft toch wel wat, die saamhorigheid van zo’n ouderwetse winter, maar ik ben blij dat het erop zit.’

Sapstroom

Mijn vrouw kijkt uit naar de winter. Zij houdt van sneeuw en ijs, schaatsen en skiën.
Ik niet. Ik houd wel van de winter, hoor, dat is het niet. Maar de winter is voor mij de tijd van binnen. Van Sint en Kerst, dat wel, maar niet van wintersport.
Ik krijg juist de neiging om mij terug te trekken in mijn hol. Met een hoge stapel boeken en veel calorierijk comfort food: chocolade, appeltaart, stoofschotels, specerijen en dikke soepen.
‘Kan er niks aan doen,’ zeg ik tegen vrouwlief, ‘kijk maar naar de natuur, het is evolutionair bepaald.’
Zij heeft absoluut geen last van dit soort dingen. Krijgt juist zin om dingen aan te pakken en op te ruimen.
Zij zegt: ‘Zullen we het siergras afknippen, die verdroogde halmen waaien door de hele tuin.’
‘Zonde van het wintersilhouet,’ verzucht ik en nestel me in een hoekje van de bank.

Lees verder

Schepijs

Winter in Nederland: schaatsen op tv. Ik maak een wandeling bij mij achter door de Middelpolder. Zon, wind, een restje vorst. Vogels kruipen bij elkaar. Hier de meeuwen, daar de waterhoenders, op een ander perceel de ganzen, zelfs de eenden en smienten zitten niet bij elkaar.
Segregatie in de natuur.
Hier en daar ligt nog een dun laagje ijs op de vaart. Alsof je er met een lepel zo een mooie krul vanaf kan scheppen. De zon zakt langzaam achter de bomen. De wind voert hockeygeluiden mee: een stick, een bal tegen de plank, een kreet.
Dat, en het beeld van blozende wangen.
En een meisjesdij met kippenvel.

A rose is a rose is a rose

Ik hoorde het woord voor de eerste keer – wanneer was het, vrijdagavond, zaterdagochtend? Motsneeuw. Wist niet dat het bestond. Wist wel wat ik mij erbij moest voorstellen. Vroeg me af of ik het lelijk vond of toch juist mooi. Het woord dan. Niet het weer. De korte, botte klank van het eerste deel en de zachte verzuchting die het tweede is, gaan een vreemde combinatie aan. Of eigenlijk geen. Ze binden niet. Fascinerend woord, vond ik, en ik wilde er iets over schrijven.
Tot ik vandaag een tweede woord zag dat eveneens nieuw voor mij was. Maar van dit woord weet ik zeker dat het, in tegenstelling tot motsneeuw, ook werkelijk nieuw is. Dit woord is mooi, mysterieus mooi, dadaïstisch mooi. Paul van Ostaijen, Boem Paukeslag. Pure poëzie. Een woord dat rollebollend van je tong af rolt. Het duin af, zo het strand op, zomerdag en kindertijd: witte jurk en strooien hoed. Mooi. Het woord dan.
Ook bij dit woord wist ik direct wat ik mij erbij voor moest stellen. Heeft u zich wel eens afgevraagd hoe hard 140km per uur nu eigenlijk is? Rodeldode. Sinds vrijdag weten we het.