Beeldrijm 13: Jaartelling

Ze zat op de rand van haar bed, mijn moeder, de handen gevouwen in haar schoot. Ze leek zich mijn aanwezigheid niet bewust, staarde door het raam naar buiten, naar de plantenbakken op haar balkon, glimlachte en zei: ‘Wat een vreemd idee dat ik de viooltjes niet meer zal zien bloeien.’

Ergens vindt er een omslagpunt plaats, een omslagpunt in meten. Waar het referentiepunt van dat wat je nog mee zult maken, verandert in dat wat je niet meer meemaakt.

Het was ergens in de tweede helft van de jaren zestig, dat ik mij als kind realiseerde dat ik het mythische jaar tweeduizend zou meemaken. Negenendertig zou ik zijn, dat was te doen.

Een tiental jaren later kwam het besef dat ik het overlijden zou meemaken van de sporthelden van mijn tijd: Johan Cruijff, Ard Schenk, Eddy Merckx. Een vreemd idee was dat.

Tegenwoordig sla ik soms aan het rekenen. Om te kijken hoe oud ik mijn zoon ga zien worden. Vijftig moet ik wel halen, maar ook niet veel meer dan dat. Een nu nog ongeboren kleinkind zie ik twintig worden, vijfentwintig misschien. Een achterkleinkind, dat wordt krap.

Ze zat op de rand van haar bed, ja, de handen gevouwen in haar schoot. De zon scheen naar binnen en stoffijne deeltjes dwarrelden door de kamer. Er lag een bijna meisjesachtige lichtheid over haar. Ze schommelde nog net niet met haar benen.

Misschien zien we vlak voor de eindstreep alles weer in de juiste proporties.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Advertenties

Schoonheid en gevaar

Joseph_Mallord_William_Turner_029

Vorige week met mijn broer naar Zwolle geweest. Om Turner te zien. In Zwolle en Enschede hebben Museum de Fundatie en Rijksmuseum Twenthe onder de naam Gevaar en schoonheid – Turner en de traditie van het sublieme een dubbeltentoonstelling georganiseerd met werk van Turner in combinatie met voorgangers en erfgenamen. Fijne tentoonstelling. Minder fijn museum. Doolhof van kleine kamers en kabinetten waarin het niet zo prettig kunst kijken is. En niet berekend op de toeschouwersaantallen die tentoonstellingen als deze tegenwoordig kenmerken.

Maar niettemin een fijne tentoonstelling. Hoe vaak krijg je de kans om het licht en water, wolken en nevel van Turner te zien? Zelden. Tenzij je naar Londen gaat. Moet ik snel weer eens doen, ja. Zag er ooit, halverwege de jaren 90, De Kooning en Turner, zij aan zij in de Tate. Mooi was dat. Ik ventileerde hier laatst al mijn opvatting dat schilderkunst over verf gaat, over kleur, licht en schaduw, over zien en over de schilderkunst zelf. En vanuit dat perspectief zag ik in Zwolle een duidelijke lijn van Rembrandt, naar Turner, naar De Kooning en, waarom niet, Rothko.

De tentoonstelling sprak van ‘het sublieme landschap, waarin gevaar en schoonheid samenkomen’, van ‘de grootsheid van de zee tegenover de nietigheid van de mens’. Het zal wel, maar ik geloof er niets van. Of beter gezegd, het interesseert me niet zo. Het is van secundair belang. Ik kijk liever. En zie dan de worsteling, de zoektocht, de twijfel en de roes van de overwinning, van de schilder op zijn doek.

Maar toch.

‘Het sublieme stelt het grote tegenover het kleine en het eeuwige tegenover het tijdelijke,’ aldus de catalogus. Ik moest daar later op de avond toch weer aan denken.

Het was op de terugweg naar huis, in de sneltram die mij naar Amstelveen bracht, dat er een meisje naast mij ging zitten. Ze zat nog maar net toen ze haar jas van haar armen en schouders liet glijden en een tasje opende op haar schoot. Er kwam een spiegeltje uit tevoorschijn en vervolgens een poederdoos. Ze monsterde zorgvuldig haar gezicht in het spiegeltje en bracht toen met het dons hier en daar een toets poeder aan op haar gezicht, poeder dat ze vervolgens met vlugge, korte streken van hetzelfde dons uitstreek over haar gezicht.

Wij zaten twee banken voor de glazen afscheidingswand bij de deuren van de sneltram en omdat daar een man met donkere jas achter stond, kon ik in het glas, als in een spiegel, elke handeling van het meisje volgen, zonder haar werkelijk aan te hoeven zien. Ademloos keek ik toe hoe ze een accent aanbracht op haar jukbeenderen en deze deed uitwaaieren over haar wang. Hoe ze haar wenkbrauwen aanzette, haar wimpers, haar lippen, met steeds weer andere doosjes, stiften, borsteltjes en andere instrumenten die ze opdiepte uit haar tasje. En steeds weer bracht zij na elke fase in het wordingsproces het spiegeltje dichter naar haar gezicht om met een kleine beweging van de top van haar pink of duim haar werk te perfectioneren.

Was zij knap? Ik weet het niet, maar ik denk het wel. Ik schatte haar een jaar of zeventien, maar haar pols- en handbewegingen waren veel ouder dan zij zelf was en verraadden een kennis en ervaring die al eeuwen geleden lijken te zijn vastgelegd in het geslacht vrouw.

Het duurde van metrohalte Overamstel tot Boelelaan. Toen haalde ze nog één keer haar handen door haar lange, donkerblonde haar, monsterde het effect en haalde daarna haar mobiel uit haar tas tevoorschijn, waarna ze alleen nog aandacht voor het apparaatje had.

Het was een wonderbaarlijk schouwspel wat zich zo vlak naast mij had voltrokken en waarvan ik getuige was geweest. Ik had een kunstenaar aan het werk gezien. Ik had het witte canvas onder zijn handen zien transformeren. Onder mijn ogen had zich een voorstelling op het doek geopenbaard die – ja waar kwam die eigenlijk vandaan? Uit haar geest, uit eeuwen kunst- en cultuurgeschiedenis? Maar het meest wonderlijke was wel dat kunstenaar en kunstwerk hier samenvielen, creator en creatie, schepper en schoonheid. Dat alles dacht ik, dat en de vraag wie de gelukkige was.

Een paar haltes verder kwam ik omhoog van mijn zitplaats. Ze schonk me een beleefd glimlachje en neeg opzij om mij door te laten. Ik stapte uit. Zij reed verder.

Het twijfelachtige verhaal gaat dat het laatste wat Turner op zijn sterfbed sprak de zin ‘The sun is God‘ is geweest. Tenzij ik tegen die tijd nog iets beters weet te verzinnen mag u vast voor mij noteren: ‘God is een meisje in de tram dat haar make-up bijwerkt.’

Beeldrijm 12: Girl without a cause

DSCF1264_pe-1600

Ze herinnerde zich de eerste keer dat ze het kindje voelde bewegen in haar buik nog goed.
‘Is dat normaal?’ vroeg ze haar vriend. ‘Is het normaal dat het nu al beweegt in mijn buik, is dat niet te vroeg?’
‘Ik heb geen idee,’ antwoordde hij.

De verloskundige stelde haar gerust en zei dat het heel normaal was, niet te vroeg en niet te laat. ‘Je blaakt van gezondheid,’ zei ze en zette haar bril weer af, een rood ding was het, met halve glaasjes, dat ze aan een koordje om haar nek droeg.

Ze herinnerde zich die dag nog goed. het was een mooie dag, ze waren naar Amsterdam gegaan. Ze voelde zich altijd klein worden als die vrouw haar over haar bril heen aankeek. Klein en dom. Alsof ze weer op school zat. Het was een mooie dag, ja, de zon scheen, een staartje van de zomer. Haar vriend zei: ‘Zullen we naar Amsterdam.’ Ze haalde haar schouders op en zei: ‘Goed.’

Ze voelde het kindje daarna elke dag. ‘Een wildebras,’ zei haar vriend, ‘dat heeft-e niet van mij.’ ‘Nee,’ zei ze dan, ‘dat heeft-ie niet van jou.’ Maar ze dacht stiekem dat het een meisje was.
Ze legde haar hand op haar buik om te voelen of het wakker was, of sliep, of bewoog in zijn slaap.
‘Het is een tic geworden,’ zei haar vriend, ‘je zit voortdurend aan je buik: laat het toch met rust.’
‘Je hebt gelijk,’ zei ze dan, ‘elke keer dat ik het wil doen zal ik op mijn handen gaan zitten, kijk: zo.’

Het was een mooie dag, ze liepen hand in hand door Amsterdam, keken in de etalages van de winkels, dronken koffie op een terras. Ze vroeg zich af of het normaal was dat ze zich dat allemaal zo precies herinnerde, alsof het gisteren was gebeurd. Maar er was geen vrouw meer met een rood brilletje aan wie ze dat kon vragen. Die haar gerust kon stellen en zei dat iedereen dat had.

Ze liepen langs het museum en keken naar de beelden in de tuin. Kinderen speelden bij een fontein, gilden, werden nat. Dat mag die van mij later niet, dacht ze, terwijl ze keek naar een beeld van een vrouw, een liggende vrouw met dikke benen, net als zij, en met een gat in haar buik. En net op dat moment voelde ze het kindje bewegen, voor het eerst. Ze legde haar hand op haar buik, wilde iets zeggen, maar had opeens zo’n droge mond. Ze legde zijn hand, die ze nog steeds vasthield, op haar buik. Hij boog zijn hoofd naar het hare. Hun brillen tikten tegen elkaar.

Het was een meisje geweest, ze wist het zeker, ook al had ze het niet gevraagd.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Lente

Toen ik vanmorgen op de fiets over de Europaboulevard reed, zag ik haar net als gisteren weer staan. Wachtend. Met haar fiets. Op een hoek.
Een meisje van veertien. Met de voor die leeftijd zo typerende gewichtsloze blik. Die zowel verlegenheid, vervoering als verveling kan betekenen.
Terwijl ik haar passeerde, reed vlak achter mij een fietser de stoep op. De jongen zelf zag ik niet: ik hoorde alleen zijn stem.
‘Moest je lang wachten?’
En ik wist: ooit, over dertig, veertig jaar, komt er een moment waarop ze zich dit ogenblik herinneren.