Met voorbedachten rade

erna-en-daan

Vanmorgen scheerde ik mij weer met mijn oude Philishave. Omdat het nieuwere exemplaar dat wij samen deelden, gisteren met mijn zoon is meegegaan.

’t Is even wennen.

Gisteravond stuurde hij een berichtje waarin hij vroeg of zijn rugzak met laptop nog bij ons stond. Het ding bleek nog in onze slaapkamer te staan. Waarop hij zei dat hij het vandaag kwam halen.

Ik verdenk zijn moeder ervan dat ze het met opzet heeft gedaan.

Zelf ontkent ze dat ten enenmale.

 

Proefwonen

daan

Zoonlief woont tijdelijk in de stad. Hartje Amsterdam. In een woning van een kennis die een paar weekjes naar het buitenland is.

Soms komt hij langs. En dan gaat hij weer.

Toen ik van de week terugkwam van een boodschap en zijn fiets in de voortuin zag staan, maakte mijn hart een sprongetje. Ik was even vergeten dat hij die dit weekend bij ons had laten staan.

‘Oh, een tijdje proefwonen,’ noemde een vriendin van ons het, ‘om te wennen.’

Zoiets, ja.

Al lijkt de proef bij nader inzien niet zozeer voor hem als wel voor ons te zijn bedoeld.

Sandwichformule

Met zoonlief naar Mike Kelley in het Stedelijk: één museumjaarkaart en een CJP. Hij steekt tien centimeter boven mij uit, maar terwijl we in de rij staan denk ik, voor de zoveelste keer, terug aan een zondagmiddag in het Singer Museum in Laren. Ik mag er graag over vertellen. En schrijven; hoed u voor schrijvende vaders
Het was in 1999. Hij was toen vier jaar en met z’n drieën bezochten we die zondagmiddag een tentoonstelling van schilderijen van Jan Sluyters . We bewonderden het werk van Sluyters en slenterden enthousiast en tevreden door het museum. Op een gegeven moment liep hij als eerste van ons drieën de volgende zaal in, keek vanuit het midden in het rond, wees op een doek en zei luid: ‘Kijk, nog een blootje.’ Sindsdien ben ik een vurig pleitbezorger voor het vervangen van de term ‘een naakt’ door ‘een blootje’. Maar dit terzijde.
kelleyOok bij Kelley was wat bloot te zien. Maar gelukkig niet zo veel dat vader of zoon zich ongemakkelijk in elkaars gezelschap voelde. Ik weet nog hoe ik lang geleden samen met mijn vader en moeder tijdens een tv-programma van Wim T. Schippers met een striptease werd verrast. Was een onaangename spanning, daar in die bovenwoning. Een die overigens door mijn moeder werd doorgeprikt met de opmerking ‘zie je dat, haar ene borst is kleiner dan de ander’.
Zou het werk van Kelley over dit soort dingen gaan? Over seksualiteit en moraal? Over beeld en beeldcultuur? Misschien. Er viel veel te lezen over vermeende duidingen van zijn werk, maar dat liet ik ongelezen.
Ik moet nog zeggen wat ik ervan vond. Denk ik. Althans, dat was ik wel van plan. Het punt is dat ik niet zo goed weet wat ik ervan vond. Wat in zekere zin al pleit voor het werk, toch?
Laat ik dit zeggen.
Het was een fascinerend kijkje in een bijzonder universum. Soms leverde dat intrigerende beelden op, geladen met een indringende kracht, een idee van betekenis en zelfs een visuele aantrekkingskracht. Ze brachten mij tot de gedachte dat de rol van de kunstenaar die is van vertaler, of van transformator liever. Die het particuliere omzet in het openbare en het algemene bijzonder maakt. Of het heilige aards en het aardse heilig, als u dat liever hebt. Of het kleine groot en het grote klein. Hoe dan ook, het gaat om die transitie. Goede kunst slaagt daarin. Slechte blijft steken in of het strikt persoonlijke, of in pamflettisme.
Tenminste, dat dacht ik gisteren.
En alleen dat was het bezoek al meer dan waard.
Later in de middag gingen we nog naar Zero Dark Thirty: de beproefde sandwichformule.
Of ‘eerst goed, dan zoet’, zoals ik een moeder ooit eens bij het ontbijt tegen haar kind hoorde zeggen.

 

Erfenis

Sinds enige tijd scheert zoonlief zich.
Soms.
Afgelopen zondag hoorde ik hem bezig in de badkamer: ik wist niet dat het zoemen van mijn Philishave vertederend kon zijn.
Ik nam het apparaat na hem ter hand. ‘Ik ben het vergeten schoon te maken,’ riep hij vanuit zijn kamer. ‘Geeft niet, dat doe ik wel,’ riep ik terug.
Het was donkerblond dons dat in het binnenste van het scheerapparaat lag. Ik keek er een paar tellen naar, klopte het toen in de wasbak en spoelde het weg.

Het is meer dan twintig jaar geleden dat mijn moeder mij aanspoorde om een blik te werpen op mijn vaders scheerapparaat. ‘Het is nog zo goed als nieuw,’ zei ze, ‘zonde om weg te doen.’ Ik liep naar hun slaapkamer, ging op het bed zitten, opende het nachtkastje en haalde het apparaat eruit. Het was een driekoppige Philishave, een tamelijk nieuw exemplaar van het model waarmee hij zich zijn hele leven lang had geschoren. Ik draaide het om in mijn hand en bekeek het van alle kanten. Het bleek een oplaadbaar model te zijn, want toen ik nietsvermoedend op een knopje drukte begonnen de koppen zo maar te draaien. Geschrokken zette ik het ding weer uit. Ik liet mijn duim over het zwarte plastic glijden en drukte uit nieuwsgierigheid op een tweede knopje dat zich iets onder het eerste bevond. Nu klapte de hele bovenkant van het apparaat open en onthulde zo een driehoekig reservoirtje waaruit de drie aandrijfstangetjes staken die de mesjes deden draaien. Rondom die drie witte puntjes, die als uitgeschoten asperges hun kopjes uit het zwarte binnenste van het apparaat staken, lag een dek van grijze stoppels. Enkele seconden lang bleef ik gebiologeerd kijken naar wat de allerlaatste resten van mijn vader moesten zijn. Aan de ene kant ontroerden die kleine, grijze haartjes mij, maar tegelijkertijd stond een zelfbewustzijn dit gevoel in de weg. Het was alsof ik een toeschouwer was van mijzelf en elke gedachte en handeling werd ergens binnenin mij onmiddellijk van commentaar voorzien. Alsof ik een personage was in een film, en niet de beste. Wat moest ik doen met het apparaat en de haartjes die het bevatte? Ik kon ze bewaren als een relikwie – maar hoe lang? Ik kon ze vermengen met zijn eigen stoppels – wat een prachtig beeld! Of ik kon ze met het daarvoor bedoelde kwastje in gootsteen of prullenbak vegen – weg ermee, al die sentimentaliteit! Ik bleef nog een tijdje zo zitten, op het bed van mijn ouders, met het apparaat in mijn hand. Voorzichtig ademend omdat ik bang was de haartjes over mijn broek te blazen. Uiteindelijk klapte ik het scheerapparaat weer dicht, legde het terug in het nachtkastje en liep naar de keuken, waar mijn moeder aardappels stond te schillen.
‘En?’ zei ze, ‘mooi ding toch?’
Ik knikte, schraapte mijn keel en zei dat ik er de voorkeur aan gaf om mij nat te scheren. Dat zij er misschien iemand anders een plezier mee kon doen.

Ik weet niet wie zich over mijn vaders erfenis heeft ontfermd.

Schoenen

Deze week nieuwe schoenen gekocht. De mooiste van west-Europa en omstreken. Vans California Midskool ’77. Konden de goedkeuring krijgen van mijn zoon. ‘Wat lijken ze klein,’ zei hij en schoot in de lach. Nu leken mijn twee maatjes 40 inderdaad wel poppenschoentjes naast zijn maat 45. Moest denken aan een notitie waar ik laatst op stuitte. Uit april 2002.
‘Zoonlief heeft nieuwe sportschoenen. Ze zien er verschrikkelijk stoer uit. “Moet je kijken hoe hard ik ermee kan rennen,” zei hij. Hij trok ze aan en sprintte naar de overkant van de straat en terug. “Zes tellen,” zei ik, “en dat met losse veters!”
Bijna acht jaar geleden.
Zijn veters zijn nog steeds los.
Dat wel.