Bookstore Day

bookstore.jpg

Het kreeg de nodige aandacht op radio, tv en in de pers: Record Store Day. Op zaterdag 16 april werden platen, platenzaken en platenliefhebbers in het zonnetje gezet.

Ik zie dat graag. Hoewel ik mijn muziek voornamelijk via Spotify beluister, ben ik supporter van vinyl, van platenwinkels en van alles wat naar Voorbije Tijden neigt.

Of Voorbije Tijden? Als ik de publicaties mag geloven is vinyl terug van (eigenlijk nooit) weg geweest, de platenzaak opgenomen in de vintage trend en offline helemaal hip.

Ik schreef het laatst al naar een  marketingbedrijf dat voor bibliotheken werkt: “Stel je het volgende voor. Een jonge CEO van een start-up komt je kantoor binnen en schetst je een beeld van een hippe onderneming waarin het beste van twee werelden wordt gecombineerd. De voordelen van streamingdiensten gecombineerd met de look & feel van vintage. De principes van een share economy met de sfeer van een community table. De kracht van storytelling met de geur van papier. Online presence gecombineerd met loungebanken en latte macchiato. Bricks met clicks, offline met online, multimedia met zelfontplooiing, hippies met hipsters, babyboomers met digital natives… Je steekt je hand op. Wacht even, onderbreek je hem, goed verhaal, maar het bestaat al. En we noemen het ‘bibliotheek’.

Laten we het gewoon hardop uitspreken: de toekomst is aan het boek. Het papieren boek. Bij wijze van startschot stel ik voor om die toekomst in te luiden met het uitroepen van een Bookstore Day.

In het Engels, ja.

Dat dan weer wel.

Advertenties

Het Boek der Boeken

Het was op een zondag, een paar weken geleden. Een mooie zondag waarop ik met mijn vrouw door de Amsterdamse Waterleidingduinen liep. Met haar en vele andere wandelaars, die je overigens na een paar minuten en evenzovele afslagen bijna niet meer zag. De andere wandelaars dan; mijn vrouw bleef aan mijn zijde. Wie je wel regelmatig bleef tegenkomen waren de damherten. Of eigenlijk struikelde je er bijna over. De populatie is zo groot dat er sprake schijnt te zijn van overlast en het voornemen om er een aantal af te schieten. Het blijft lastig, natuur in Nederland.
Toen wij daar over de zandpaden liepen en ons herinneren hoe we het er vroeger, toen onze zoon nog klein was, met een enkele hoefafdruk moesten doen, schoot mij plotseling een herinnering te binnen van nog veel oudere datum. Aan een advertentie die ik ooit als kind had gezien. Of het nu was in de Kuifje, Pep of Robbedoes, dat weet ik niet meer, maar het was in een stripweekblad, dat weet ik zeker. De advertentie had zelf ook de vorm van een kort, paginagroot stripverhaal. Hij is een aantal malen geplaatst, tenminste, dat denk ik: ik weet bijna zeker dat ik hem destijds meerdere malen heb gezien. Het stripverhaal ging over een paar jongens, misschien padvinders, misschien ook niet. Ze lopen door een bos, stuiten op dierensporen en vragen zich af om welk dier het gaat. Een van die jongens blijkt schoenen te hebben waarvan de zool is uitgerust met een profiel waarin de afdrukken van dierensporen zijn verwerkt. De afdruk van zijn schoenen laat een handvol poot- en hoefafdrukken zien, met daaronder, in kleine letters, de naam van het betreffende dier.
Ik weet niet hoe ik onder woorden kan brengen hoezeer ik onder de indruk was van deze schoenen.
Terwijl ik dit onder een zwak winters zonnetje aan mijn vrouw vertelde, bracht de ene herinnering een andere met zich mee: die aan het Grote Woudlopers Handboek, van Kwik, Kwek en Kwak. De herinnering stamt uit dezelfde tijd: de tweede helft van de jaren zestig, de tijd waarin ik opgroeide en stripverhalen mijn zucht naar kennis en avontuur bevredigden en tegelijkertijd aanwakkerden. Het was een boek waarin alle antwoorden op alle vragen stonden, dat Grote Woudlopers Handboek. Een onuitputtelijke schat aan informatie, het Boek Waar Alles in Staat, het Boek der Boeken – voor een kleine jongen uit Amsterdam-West.
Dat bracht mij op het volgende.
Toen mijn zoontje tussen de twee en drie jaar oud was, had hij, zoals de meeste kinderen van die leeftijd,de gewoonte zijn vellen tekenpapier te vullen met een bonte mengeling van krassen en cirkels. Tekeningen die een enkele keer een verrassend totaalbeeld opleverden, waarin de kleurencombinatie, lijnvoering of vlakverdeling je kon treffen, maar die meestal toch niet meer waren dan de elementen waaruit ze waren opgebouwd: een wirwar van strepen, krullen en kleuren. De massaproductie die hij hierbij aan de dag legde, droeg zeker bij aan dit effect. Toch antwoordde hijzelf elke keer als ik hem vroeg wat hij aan het tekenen was op serieuze toon ‘een vogel’, ‘een auto’, ‘een tijger’, of welk onderwerp hem in die dagen dan ook in zijn greep hield. Ik heb mij elke keer, toen en tot op de dag van vandaag, afgevraagd of hij dat zelf geloofde. Of beter gezegd, of hijzelf in die voor mij onleesbare tekens iets anders las dan ik. Zag hij werkelijk die vogel, auto of tijger? Soms klonk hij tamelijk overtuigend en wist hij zonder moeite vleugel, wielen of staart aan te wijzen. Meestal overigens op een plek waar ik die niet vermoedde.
Langzaam maar zeker worden wij gedurende onze kinderjaren de kunst machtig om dat wat wij zien, in onze fantasie of in de werkelijkheid, te reproduceren. Altijd gaat het waarnemen aan het reproduceren vooraf. Het zien aan het tekenen, het lezen aan het schrijven. Ook als we het hebben over iemand die zich, in ieder geval zo nu en dan, schrijver mag noemen.
Met de schrijver en bibliofiel Alberto Manguel denk ik dat ik misschien zou kunnen leven zonder te schrijven, maar niet zonder te lezen. Of zoals hij schrijft in Een geschiedenis van het lezen: ‘Wij lezen allemaal onszelf en de wereld om ons heen teneinde een glimp op te vangen van wat we zijn en waar we zijn. We lezen om te begrijpen, of een eerste inzicht te verwerven. We moeten wel lezen. Lezen is, bijna evenzeer als ademhalen, onze essentiële functie.’
Ik kan mij, zoals waarschijnlijk iedereen, de eerste kinderboeken die mij voorgelezen werden en die ik zelf las, nog goed herinneren. Ik zal de titels en hoofdfiguren hier niet gaan opdreunen. Het gaat mij niet om de nostalgie, of de couleur locale van een tijdperk, maar om Het Boek, geschreven met hoofdletters, het mythische boek uit de kindertijd. Elk boek, en elk boek weer, was in die jaren een wereld, een oneindige wereld, die je een thuis bood en waarin je kon wegvluchten. Niet omdat de werkelijkheid iets was waaraan je moest ontsnappen, maar simpelweg omdat het boek je naar binnen lokte en betoverde. Of in de woorden van de filosoof Walter Benjamin die ik ooit eens las en noteerde: ‘Je las een boek niet door; je woonde erin, je verbleef tussen de regels.’
Zo kon ik later, toen ik groot was, bijna niet geloven dat de wereld van Winnie The Poeh, dat gebied van het ‘100 aker wood’, de ‘six pine trees’ en ‘the north pole’, waarin ik zoveel uren, dagen, of moet ik zeggen kilometers, had rondgezworven, niet meer dan twee deeltjes met elk tien verhaaltjes besloeg.
Behalve een schuilplaats biedt het lezen in de kindertijd ook een perspectief op het leven: dat van de waarnemer, de beschouwer, die in de werkelijkheid ziet, of zoekt, wat hij in zijn eigen particuliere belevingswereld eerder heeft gezien en gelezen. Althans, dat denk ik. Net zoals ik denk dat dit lezen uit de kindertijd, dit jezelf verliezen en weer vinden in de boeken, voorafgaat aan het schrijven dat wij later doen. Of wat ik doe, beter gezegd.
Wat is het schrijven anders dan het heropbouwen van die oneindige wereld, waarin het verhaal, anders dan in het leven, niet ophoudt, of in ieder geval weer opnieuw gelezen kan worden?
Het was een aangename wandeling, die zondag, waarop wij de damherten bleven bewonderen, hoe veel wij er ook zagen. We sloten hem af bij de kleine uitspanning De Oase, zoals onze eigen kleine traditie het wil. Zelfs reden we nog even door naar Zandvoort: als je zo dicht bij zee bent, moet je er toch even langs om naar de golven te gaan kijken.
Damherten, schoenen, woudlopers.
Als de bron van het schrijven daar ligt, in The Never Ending Story, in de wereld van het oneindige kinderboek, en als wij de echo van dat verhaal ook later nog steeds horen doorklinken in de literatuur die wij lezen en schrijven, betekent dat dan dat er niets is veranderd?
Misschien niet veel meer dan dat wij op een zeker moment geen boeven en schatten meer najagen, maar alleen nog op zoek zijn naar een schim uit het verleden, of naar onszelf.

E-lezen

Ik heb niets tegen het e-book. Sterker nog, ik vind het een uitdagende uitbreiding van de mogelijkheden van de schrijver. Van toekomstvisies heb ik weinig kaas gegeten. En van digitale toekomstvisies al helemaal niet. Maar in alle opwinding over de vermeende opkomst van het e-boek weet ik één ding zeker: dat het, zoals ik op de kop af twee jaar geleden hier al schreef, in gekopieerde versie over de elektronische snelweg van huiskamer naar huiskamer zal zoeven. Of zoals Lemniscaat uitgever Boele van Hensbroek het afgelopen vrijdag zei in de NRC: ‘Zodra iets een bestand is, ben je het kwijt.’
Het probleem van piraterij wordt vreemd genoeg meestal over het hoofd gezien. In de toekomstvisioenen die ons voorgespiegeld worden is de schrijver een auteursmerk, iemand die aan het hoofd staat van een eigen werkplaats, wiens boek gedownload wordt en die twitterend zijn digitale volgers op de hoogte houdt. Het 360-gradenmodel, noemt uitgever Joost Nijsen dit, met een term uit de muziekindustrie. Maar laten we eens kijken naar die muziekindustrie. ‘Verwordt dan het gedrukte boek ook tot marketinginstrument?’ schreef ik op 30 januari 2008. ‘Ben alleen wel benieuwd waar wij schrijvers dan ons brood mee moeten verdienen. Zie de Arena nog niet zo snel vollopen voor een voorleesbeurt van een van mijn collega’s.’
Of met andere woorden: van twitteren kan mijn schoorsteen niet roken. Van mijn boekverkoop overigens ook niet, maar dat is weer een heel ander verhaal.

Op de vlucht

Laatst zat ik op het station van Hoorn te wachten op de trein die mij terug naar Amsterdam zou brengen. Ik had nog een minuut of twintig, pakte een boek uit mijn tas en dompelde mij erin onder. Na een tiental minuten vroeg een stem mij wat ik aan het lezen was. Ik keek op en zag een man die was opgestaan van zijn bankje rechts van mij en nu voor het mijne stond. Hij droeg een spijkerbroek, een grof gebreide trui en een kort jackje. Hij had kort haar en een gezicht met trekken die ouder waren dan hijzelf. Ik schatte hem een jaar of veertig.
Ik liet hem de voorkant van het boek zien: Een vrouw op de vlucht voor een bericht, van David Grossman.
‘Is het goed?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik denk het wel.’
‘Waar gaat het over?’
Ik legde hem aan de hand van de titel in het kort de inhoud van het boek uit. Hij knikte, stelde een vraag, maakte een opmerking en stak toen zijn hand uit.
‘Sorry, dat ik je zo lastig val,’ zei hij, ‘vind je toch niet erg, hoop ik? Ik heet Peter.’
Ik zei dat hij me in het geheel niet lastig viel, schudde zijn warme hand en stelde me voor.
‘Ik ben gek op boeken,’ zei hij, ‘ik heb er thuis 5000. Dit lijkt me een goed boek, ik denk dat ik het ga kopen.’
‘Ik kan het je aanbevelen.’
‘Op de vlucht voor een bericht. Ik ben zelf ook op de vlucht, zou je kunnen zeggen, op de vlucht voor mijzelf.’
Ik verkoos niet op zijn opmerking in te gaan.
‘Maar ja, misschien zijn we allemaal wel ergens voor op de vlucht, toch?’
Ik knikte.
‘Ik zal je niet langer storen, René,’ zei hij en hij liep terug naar zijn bankje. Ik sloeg het boek weer open en hervatte mijn lezen.
‘Denk je dat ze het in de stationskiosk hebben?’ vroeg hij van een afstand.
Ik knikte. ‘Dat denk ik wel, ja.’
Even later kwam de trein het stationnetje binnen glijden. Ik liep een stukje het perron af, voor de zekerheid, zocht een zitplaats uit, installeerde mij en ging weer verder met lezen.
Hij had een andere plek gevonden, Peter. Ik neem tenminste aan dat hij wel in de trein is gestapt. Maar waar naar toe? Ik weet het niet. Waar stond dat huis met 5000 boeken? Ik keek op van mijn boek de donkere avond in en hoopte dat hij er in ieder geval één vond. Eén huis. En één boek.

Telefooncel

Ik begon deze draad van berichtjes, de stream of consciousness van onze tijd, met een tweetal notities over een telefooncel. Ik voeg daar nu, ruim twee jaar later, een derde aan toe. Ik kwam hem tegen op de onvolprezen boekennieuwssite van Dirk Leyman ‘De papieren man’. Het gaat om een rode, Engelse telefooncel in het dorpje Westbury-sub-Mendip. Ook in het traditierijke Engeland verliezen telefooncellen hun functie. Soms worden zij verkocht en krijgen een nieuwe bestemming. In Westbury-sub-Mendip, gelegen ten zuiden van Bristol en Bath, is een telefooncel verbouwd tot de kleinste bibliotheek van Groot-Brittannië. Vierentwintig uur per dag geopend, elke dag van het jaar. Met een collectie van inmiddels meer dan honderd boeken. Wie een boek leent, zet daar een ander boek voor in de plaats. Ach, wat lees ik dit soort berichtjes graag.