Beeldrijm 17: Glimlichtjes

dscf7993-1600

Soms moet je de ogen sluiten, om de dingen goed te zien.

Misschien is elke foto wel een zwart doek waarin gaatjes zijn geprikt. En zitten er in het ene doek gewoon meer gaatjes dan in het andere. Een patroon van gaatjes waar het licht als in een verduisterde kamer door naar binnen schijnt.

Net zoals we op de lagere school een vel papier beschilderden met kleurige vlakken en vegen, waarna we er, als de verf was opgedroogd, met wasco een zwarte laag over aanbrachten. Met de achterkant van een penseel krasten we daarna lijnen en vormen in het zwarte waskrijt, figuurtjes die wonderlijk oplichtten in het zwart dat hen omgaf.

Wat is het dat ik zie, in die verduisterde kamer. Een zwarte kraag, versierd met wit borduursel? Fluweel, velours, pluche? Of is het een speldenkussen? Parelknopjes? De noppen van een gecapitonneerde bank?

Het patroon van glimlichtjes vormt een schrift dat ik alleen kan ontcijferen als ik mijn ogen sluit. De foto lees met de vingertoppen van mijn hand.

Ik voel een knopje dat onder mijn vingertop beweegt. Borduursel, knoopje, lichtknopje, bolletje stof. Ik moet er aan zitten. Dat moet. Eén keer met de wijsvinger van mijn linkerhand en één keer met mijn rechter. En daarna met de pink, ring- en wijsvinger en hetzelfde rijtje andersom terug. Eerst met de linker- en dan met de rechterhand. Om het onheil te bezweren. Dat moet.

Net als aan het pukkeltje op mijn rechterbeen. Net zo lang en net zo vaak tot het open gaat. Tot ik een gaatje in het oppervlak kras. En dat wonderlijk kleurige, fel oplichtende bloed vanachter de huid naar buiten vloeit.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

 

Advertenties

Beeldrijm 16: De wangen van Aaron Krickstein

beeldrijm 16

De wangen van Aaron Krickstein. Paardenbloemen. Papieren vliegtuigjes. Een zomernamiddag.

Maar misschien ga ik te snel.

Laten we een stap terug doen en het eerst over ontspanning hebben. De ontspanning die, zo horen en lezen we altijd, onontbeerlijk voor snelheid is. De ontspanning op het gelaat van Dafne Schippers, als zij haar snelheid weet te behouden waar anderen die verliezen in verkramping. Mooie paradox is dat. Ontspanning die voor snelheid zorgt.

Maar Aaron Krickstein dus. Tennisser uit de jaren tachtig en negentig. Met 16 jaar en 2 maanden nog altijd de jongste winnaar op de ATP Tour ooit. Maar ik herinner mij hem vooral vanwege zijn wangen. Hij had zich aangeleerd om uit te ademen bij elke slag om zo de ontspanning in zijn lichaam, en dan met name in zijn arm, te houden. Hij deed dat met bolle wangen. Alsof hij de pluisjes van een paardenbloem de lucht in blies. Mooi was dat.

Of als u dat beeld niet direct op YouTube kunt vinden, de handjes van Dennis Bergkamp. Als hij het doelpunt tegen Argentinië scoort. U weet wel. Zijn handen. Volkomen ontspannen hangend uit het polsgewricht.

Daarom.

De wangen van Aaron Krickstein. Paardenbloemen. Papieren vliegtuigjes. Een zomernamiddag.

De snelheid van een associatieve gedachtegang is 100 meter per seconde.

Bij ontspanning.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 15: Der Tod und das Mädchen

LOST IN AMSTERDAM 138-1600

Te mooi om waar te zijn. Die donkere mars naar het graf aan linkerzijde en het in licht getekende meisje daarnaast. En toch waar. Of niet?

Het is een vreemde relatie, die tussen feit en fictie. Zoals zovelen dacht ook ik ooit dat ik door te schrijven het verleden kon fixeren. Een monumentje kon oprichten. Het verleden kon bewaren, behoeden voor vergankelijkheid. Het tegendeel is waar. Het is ontegenzeggelijk waar dat fictie er beter uitziet als we het begiftigen met een ziel. De adem der levenden inblazen. Maar de keerzijde hiervan is dat wij het feit, de werkelijkheid, daarmee het leven ontnemen. De arme ziel. Met een bloedeloos wit gelaat ligt zij, de levende, de herinnering, in onze armen, de armen van een moordenaar.

De stoet der rouwenden aan linkerzijde. Het licht dat over haar wangen streelt.

Het is een veelvoorkomend thema in mythes en verhalen: de een doden om de ander tot leven te wekken. Het is een gevaarlijk wapen, de pen. Een moordwapen waarmee wij dat om het leven brengen wat ons het liefste is. Some do it with a bitter look. Some with a flattering word. The coward does it with a kiss.

Soms is de werkelijkheid te mooi om waar te laten zijn. De verleiding te groot om de pen te laten waar hij is. Maar gelooft u mij. Door van feit fictie te maken, sterft de herinnering. Als er al sprake van een monumentje is, dan heb ik van vlees en bloed steen gemaakt.

Alles wat ik heb geschreven ben ik kwijt.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 14: Bijna

LOST IN AMSTERDAM 114-1600

Goed. Laten we op deze eerste ochtend van de week maar eens meteen met hoge inzet beginnen: wat is schoonheid? Als u daar nu eens over nadenkt, schenk ik nog een keer koffie in.

Klaar? Een antwoord geformuleerd? Dan ga ik met uw welnemen eerst terug naar bovenstaande foto. We zien een regelmatige gevelwand die net voor het uiteinde van de foto ophoudt en de hoek omslaat. Daarmee tergt de foto(graaf) ons en maakt ons tegelijkertijd nieuwsgierig: ik heb het daar eerder in de Beeldrijm Krulhoek over gehad. Maar goed, een regelmatige gevelwand. Met aan weerszijden van de middelste van de drie zichtbare kolommen een tweetal mensen, waarin we, niet alleen door hun positie ten opzichte van de muur, geneigd zijn een symmetrie te zien.

Die gedachte wordt versterkt doordat het tweetal tweetallen in een bijna identieke pose staat en bijna dezelfde handeling uitvoert.

Bijna. Schrijft u dat woord even op. En het hierboven gebezigde ‘symmetrie’, als u dat nog niet had gedaan.

Bijna, ja, want net niet helemaal. Zo staan de twee meisjes rechts over een smartphone gebogen, terwijl de jongen links een boekje raadpleegt. En waar het tweede meisje aan de rechterzijde maar weinig interesse in haar partner met de smartphone lijkt te hebben en een enigszins geringschattende blik op het toestel werpt, daar lijkt de oudere vrouw links te smachten naar de informatie die de jongen uit het boekje opdiept. Haar ogen zien niets van de omgeving of zelfs maar van de jongen voor haar, maar vertoeven in de wereld die uit zijn woorden opdoemt. Terwijl de jongen juist zijn gezicht in een grimas trekt die vertwijfeling of onzekerheid lijkt uit te drukken.

De bijna-symmetrie gaat verder. Kijk bijvoorbeeld naar de tassen. Aan beide zijden één. Maar de linker is zwart en staat op de grond en de rechter is wit en wordt door het meisje in haar hand gehouden. Plus twee schoudertasjes, gelijkmatig verdeeld over beide kanten, maar de een is wit en de ander is zwart.

Wie zijn deze mensen, die hier in bijna-symmetrie gevangen zijn? Mijn gok zou zijn dat de vrouw links bij de meisjes rechts hoort. Het zijn toeristen, uit Frankrijk denk ik. Ze waren op zoek naar iets, een straat, een winkel, een toeristische attractie, en terwijl het meisje rechts de informatie opzoekt op haar smartphone, stapt de moeder, old skool, met papieren gidsje op een jongen af. De jongen leest de betreffende alinea in het boekje en denkt na over hoe hij het drietal de weg moet wijzen. Hij zoekt naar woorden in zijn middelbare school vocabulaire, twijfelt over de verbuiging van het werkwoord aller.

Maar goed, over schoonheid gingen wij het hebben. Laat ik de maandagochtend afsluiten met de stelling dat dit het nu precies is wat schoonheid is: bijna-symmetrie. Of iets ruimer: orde die wordt geschapen en tegelijkertijd weer wordt verstoord. Ontregeld. Aan het wankelen wordt gebracht.

Schoonheid is een antwoord dat eindigt met een vraagteken. En dat is niet alleen het hoogste goed wat beschaving en cultuur kan voortbrengen, maar ook de noodzakelijke voorwaarde voor haar. De sine qua non.

Goed. Als u daar de rest van de week over nadenkt, dan schenk ik intussen nog een keer koffie in.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 13: Jaartelling

Ze zat op de rand van haar bed, mijn moeder, de handen gevouwen in haar schoot. Ze leek zich mijn aanwezigheid niet bewust, staarde door het raam naar buiten, naar de plantenbakken op haar balkon, glimlachte en zei: ‘Wat een vreemd idee dat ik de viooltjes niet meer zal zien bloeien.’

Ergens vindt er een omslagpunt plaats, een omslagpunt in meten. Waar het referentiepunt van dat wat je nog mee zult maken, verandert in dat wat je niet meer meemaakt.

Het was ergens in de tweede helft van de jaren zestig, dat ik mij als kind realiseerde dat ik het mythische jaar tweeduizend zou meemaken. Negenendertig zou ik zijn, dat was te doen.

Een tiental jaren later kwam het besef dat ik het overlijden zou meemaken van de sporthelden van mijn tijd: Johan Cruijff, Ard Schenk, Eddy Merckx. Een vreemd idee was dat.

Tegenwoordig sla ik soms aan het rekenen. Om te kijken hoe oud ik mijn zoon ga zien worden. Vijftig moet ik wel halen, maar ook niet veel meer dan dat. Een nu nog ongeboren kleinkind zie ik twintig worden, vijfentwintig misschien. Een achterkleinkind, dat wordt krap.

Ze zat op de rand van haar bed, ja, de handen gevouwen in haar schoot. De zon scheen naar binnen en stoffijne deeltjes dwarrelden door de kamer. Er lag een bijna meisjesachtige lichtheid over haar. Ze schommelde nog net niet met haar benen.

Misschien zien we vlak voor de eindstreep alles weer in de juiste proporties.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)