Oud en der dagen zat

Ik weet niet hoe het u verging, maar ik vond het In memoriam gisteravond op tv maar niet op gang komen. Het is misschien niet gemakkelijk om een gevoel van leegte en weemoed vorm te geven. Alhoewel, een filmpje van 14 minuten als dat hieronder volstaat. Meer hoeft het niet te zijn.

Het oprechte verdriet van Frits Barend trof mij, maar ik miste Jan Mulder, Piet Keizer, Johan Neeskens, Sjaak Swart. In plaats daarvan moesten wij het doen met Mart Smeets en Jack van Gelder, Kees Jansma en Frank Snoeks. Ik miste allure en stijl en ergerde me aan door elkaar gehaalde jaartallen, anekdotes die niet van de grond wilden komen en die te vaak gingen over de niet-voetballer Cruijff.

Met die laatste heb ik nooit zoveel gehad. Ik heb altijd met enige gêne gekeken naar Cruijff als analist en commentator. En met nog grotere weerzin naar de mensen die hem daarbij omringden en zijn zogenaamd Cruijffiaanse uitspraken aanmoedigden, duidden en verspreidden. Er schemerde een dubbele agenda in door, waarin zij hem gebruikten zonder dat hij het doorhad. Nee, talent om zich met de juiste mensen te verbinden heeft hij nooit gehad.

Ook talent voor ondergeschiktheid heeft hij nooit bezeten – en dat was een ander punt van ergernis. Voor de Ajaxsupporter die ik was en ben, is niemand groter dan de club, zelfs Cruijff niet, en het is pijnlijk om te merken dat er bij de speler, de held, het icoon, grenzen aan de clubliefde zijn. Zijn spelen voor Feijenoord heb ik nooit kunnen vergeten. Het was een smet, een vlek waar wij met alle liefde vergoelijkend een bloemenvaasje op wilden zetten, maar eruit ging-ie niet.

Maar laten we het vooral hebben over de voetballer Cruijff en ons laven aan de beelden die ons resten. Een voetballer met, zoals ik ooit schreef, ‘een lichaam ontworpen voor snelheid, een gezicht gesneden in de windtunnel, een spitse kin en neus, mond open, ingevallen wangen – en het haar van mijn broer’.

U moet zelf maar eens kijken, maar de beelden uit eind jaren zestig en begin jaren zeventig kregen voor mij een snufje science fiction. Het was alsof er op die hobbelige zwart-wit velden vol buikige balletjetrappers en kalende huisvaders plotseling een wezen uit de toekomst was geland. Een speler met een ander lichaam en een ander uiterlijk. Met een snelheid en techniek die niet de hunne was. Die ze niet konden bijbenen, onderuit schoppen desnoods, wat ze ook probeerden.

Het toeval wil dat ik gisterochtend een begrafenis bijwoonde waar een van de sprekers aanhaalde hoe hij met zijn vader naar de film Nummer 14 Johan Cruijff was geweest. Ook ik zat daar. In de grote zaal van de City. Met mijn vader.

Op de website van Ajax staat een smaakvol filmpje dat met zorg, liefde en bescheidenheid lijkt te zijn gemaakt. Meer hoeft het niet te zijn, nee. Ik keek ernaar, een, twee, drie keer. En evenzovele malen luisterde ik naar de zinnen die Herman Kuiphof sprak bij het ererondje na de derde Europacupwinst in 1973:

‘Als we allemaal oud en der dagen zat zijn, zullen we er zeker nog met jaloezie aan terugdenken. Want blijven zoals het nu is, dat lijkt een onmogelijkheid.’

 

 

La Partita del Secolo

Tot een aantal jaren terug, toen ik nog niet aan de schoolvakanties was gebonden, kwam het vaak voor dat ik tijdens een EK of WK niet in Nederland was. Juni is een mooie maand om weg te gaan. Zeker als een naar psychose neigende toestand zich meester heeft gemaakt van ons land. Nu moet u niet denken dat ik niet van voetbal houd. Dat doe ik wel. Sterker nog, ik ben verslingerd aan het spelletje en als men mij vraagt wat ik wil worden als ik later groot ben, dan luidt mijn antwoord nog altijd ‘profvoetballer’, al wordt die vraag mij hoe langer hoe minder gesteld.
Het is niet alleen de gekte die tijdens een eindtoernooi bezit van ons land neemt die mij wegjaagt. Hoewel ik moet toegeven dat een zekere distantie geen kwaad kan, is het toch meer zo dat het toernooi in Nederland zo wordt overschaduwd door het wel en wee van Oranje, dat daarmee het zicht op de wedstrijden en het genieten van het voetbal je ontnomen wordt.

>lees verder

Victorious youth

Gisteravond een stukje van de film Nummer 14 Johan Cruijff op tv gezien. Zag hem in 1973 met mijn vader in de City. Cruijff. Vijfenzestig, nu. Maar toen nog een jongen. Een lichaam ontworpen voor snelheid. Gezicht gesneden in de windtunnel. Spitse kin en neus, mond open, ingevallen wangen – en het haar van mijn broer.
Het beeld is bijna verdreven door dat van de rancuneuze oude man. De tragiek van het ouder worden. Maar ook de tragiek van de vorst die te veel meelopers en ja-knikkers om zich heen heeft gehad. Te weinig mensen die hem tegenspraken. ‘Zit nou niet zo slap te lullen, man.’
Je zou het hem gunnen.
En Ajax ook.
Maar nu toch liever eindigen met de jongen voor het geestesoog.
Twee jongens, beter gezegd. Of misschien toch één. De linker werd gevonden in Betondorp. De rechter in de netten van een Italiaanse trawler voor de Adriatische kust.
Victorious youth. Dat is de naam die in het Getty Museum in Malibu op het plaatje staat.

    

April is the cruellest month

Vorige week stond ik aan het einde van een zonnige dag buiten, in de achtertuin.  Het was het begin van de avond, net na het avondeten. Terwijl ik naar de tuin stond te kijken, waar ik door omstandigheden dit jaar nog veel te weinig aan heb gedaan, hoorde ik een geluid dat ik meteen herkende: het stuiteren van een bal in het gangetje tussen ons huis en dat van mijn buurman. Het gangetje voert naar het voetbalveldje hier in de wijk en wordt veelvuldig gebruikt door kinderen. De stuit van de bal op de trottoirtegels wordt weerkaatst door de muren van onze huizen. Een echo is het niet echt, een galm evenmin. Het is alsof het geluid van de bal wordt overgenomen door de muren en versterkt wordt doorgegeven. Ja, alsof de twee muren, die op niet meer dan krap vier meter van elkaar staan, elkaar het geluid toeroepen: kabauwwauw, kabauwauw, kabauwauw. Hartslag van de jeugd. Hartslag van de zomer.
En meer nog dan de langer wordende dagen, de uitbottende struiken of de crocusjes, narcissen en andere voorjaarsbloemen die zich tonen, is het dit geluid dat voor mij de komst van de zomer aankondigt.
Ik luisterde naar het wegstervende stuiteren van de bal. Naar de zachter wordende stemmen van mijn overbuurman en zijn zoontje. En plotseling vroeg ik mij af of ik ooit zelf nog een balletje zou trappen.
Met het ouder worden van mijn zoon is wellicht mijn laatste alibi verdwenen.

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (7)

Eerder deze week gaf Morrissey een concert in De Vereeniging in Nijmegen. Ik wist het niet, maar las later een enthousiaste recensie in de NRC. Niet dat ik anders gegaan was, dat niet. Ben altijd bang dat de houdhaarbeidsdatum van jonge helden zal zijn verstreken. Hij is inmiddels 50, Steven Patrick Morrissey. Johnny Marr is 46. Hun liedjes nog altijd tijdloos.
Op zaterdag 21 april 1984 ging ik met een vriend naar De Meervaart, naar een feest georganiseerd door het muziektijdschrift Vinyl. Wij waren eerst nog naar Ajax-PSV gegaan, een wedstrijd die Ajax met 1-0 won, en arriveerden wat later  in Osdorp, tijdens het concert van Nick Cave. Maar we kwamen toch alleen maar voor The Smiths.
Ik wist nooit wie van de twee nu echt mijn favoriet was, frontman Morrissey of stille kracht Marr. De charmante poseur met grote mond of de engelachtige gitarist met het fonkelende, lichtvoetige gitaarspel. Maar uiteindelijk was het natuurlijk het duo dat overrompelde, zoals zoveel van die Engelse duo’s: zanger en gitarist, tekstschrijver en componist, Morrissey en Marr. Hun namen klonken al klassiek nog voor zij een letter en noot op papier hadden gezet.
Morrissey zong die avond wat onvast, wat hij altijd zou doen. Marr’s gitaar had te lijden onder het slechte geluid. Nee, het was geen fantastisch optreden, maar wat gaf het. Het was 1984. Ajax speelde met de piepjonge Bosman, Vanenburg, Van Basten, Rijkaard, Silooy en Koeman. Morrissey droeg zijn narcissen in zijn kontzak en Marr droeg een strass kettinkje om zijn hals. Althans, zo herinner ik het mij.