Vreemd

Het wijkje waar ik woon grenst aan een klein natuur- en recreatiegebied. Een gebied van kleine poldertjes, een slingerende dijk, een paar boerderijen, wat vogels en wat vee. Een stukje natuur omzoomd door de hoogbouw van de stad, de Arena en de kerktorens van Ouderkerk aan de Amstel. Een vestzak rust en ruimte – voor zover dat mogelijk is in een vestzak, natuurlijk.
Van de week fietste ik er ’s ochtends vroeg doorheen. Het had geregend die nacht en boven een weiland hing een nevelsliert van misschien een meter hoog. Je ziet dat wel vaker in de herfst. Plotseling viel mijn oog op een haas die op zijn achterpoten zittend, rechtop, met zijn hals gestrekt en zijn voorpootjes hangend voor zijn borst, boven het gras uitstak.
Mooi gezicht was dat.
Het grijze hazenlijfje in de nevelwolk. Zijn oogjes turend naar iets, maar wat? Gespannen en ontspannen tegelijk.
Ik fietste door, probeerde zo lang mogelijk naar hem te kijken – en toen opeens dacht ik: hoe zou het met Adèle zijn?
Vreemd was dat.
Het een had niets met het andere te maken.
Maar die vreemde associaties, die grillige paardensprongen van je geest, zijn vaak de leukste.
Hoe zou het trouwens echt met haar zijn? Al lange tijd niets meer over haar gehoord. Van haar ook niet. Ik hoop dat het haar goed gaat. En dat zij ons snel weer trakteert op haar stemgeluid.
Een paar minuten later schoof een donkere wolk over mij heen. Het begon te regenen en ik werd kletsnat.
Kijk, dat had nu wel alles met het voorgaande te maken.
En was ook een stuk minder leuk.

Applecrumble

Vanmorgen moest zoonlief tennissen. Dauw en zon deden de mazen van het net glinsteren als beslagen met honderden diamantjes. Een service tegen de netband sloeg hen aan gruzels. De hoop op overwinning ging dezelfde weg.
Thuisgekomen de tuindeur open. Krant, kopje koffie. Zien hoe Ajax verliest van Utrecht. Rondje joggen. Applecrumble gemaakt van de appels die ik vorige week op Olmenhorst heb geplukt. De herfst smaakt naar kaneel, ja.
Glaasje wijn. Nog steeds de deuren open, tot na het avondeten zelfs. Een dag die niet kapot te krijgen is. Zelfs niet door twee verliespartijen. Het is niet mijn favoriete jaargetijde. Zal het ook noooit worden. Maar zo mag het van mij herfst zijn.

Herfst

Waar het in mijn voorlaatste post nog lente was, is nu het najaar al weer aangebroken. Het kan verkeren.
Soms is het goed om een stap achteruit te doen. Afstand te nemen. De pen een tijdje neer te leggen. En ach, het verlangen naar en terugkijken op de zomer  is vaak mooier dan de consumptie zelf.
Daarom is de stap van de belofte van een zomerdag naar de herinnering ervan maar een kleine.
Belofte en herinnering, daar draait het misschien wel om, ja.
En niet alleen bij de seizoenen.

Herfst (2)

Ik maakte vanmiddag een kleine wandeling door het poldertje bij ons achter. De zon stond laag en waaierde met royaal gebaar het licht over het landschap uit. Er stond een harde wind, harder dan ik had gedacht. De rietpluimen bogen. Het wateroppervlak rilde genotzuchtig. En ondertussen werkten ganzen hun dagelijks portie gras naar binnen. Bagger lag op de slootkanten uitgespreid. Ik zag hier en daar een mee omhoog gekomen zoetwatermossel. Gekraakt en leeggeroofd door een vogel. Eentje was bijna net zo groot als mijn hand. Met opengespreide schelp stak hij als een parelmoeren vlinder uit de zwarte bagger. Handen omhoog of ik schiet. Animal planet in de polder. Het spektakel ligt soms om de hoek.

Herfst

Ik zag  vorige week hier in een plantsoentje tussen straat en stoep een groepje paddenstoelen staan. Aan de voet van een boom. Kleine, witte kegeltjes waren het, een stuk of tien. Met de kop in de aarde gezet. Na een paar dagen waren de lichaampjes als parapluutjes opengeklapt. Ze staan er elk jaar. Een paar dagen slechts: ze vergaan snel. Ik fietste er een paar keer langs en elke keer zei ik zachtjes tegen mijzelf ‘Funghi in cittá‘, naar het verhaaltje uit Calvino’s bundel Marcovaldo.
Soms heb je dat – ik ben vast de enige niet. Dat je op bijna dwangmatige wijze iets moet zeggen. Op een bepaald moment. Bij een bepaalde handeling. Een gebeurtenis. Een dag in het jaar. En dan elke keer weer.
Zo mompel ik elk jaar rond deze tijd als ik naar de tuin kijk de zin ‘Het grote sterven is begonnen’ zachtjes voor me uit. Ik weet zeker dat ik ze niet zelf heb bedacht: maar waar komen die woorden ook al weer vandaan?