Lente

Toen ik vanmorgen op de fiets over de Europaboulevard reed, zag ik haar net als gisteren weer staan. Wachtend. Met haar fiets. Op een hoek.
Een meisje van veertien. Met de voor die leeftijd zo typerende gewichtsloze blik. Die zowel verlegenheid, vervoering als verveling kan betekenen.
Terwijl ik haar passeerde, reed vlak achter mij een fietser de stoep op. De jongen zelf zag ik niet: ik hoorde alleen zijn stem.
‘Moest je lang wachten?’
En ik wist: ooit, over dertig, veertig jaar, komt er een moment waarop ze zich dit ogenblik herinneren.

Victorious youth

Gisteravond een stukje van de film Nummer 14 Johan Cruijff op tv gezien. Zag hem in 1973 met mijn vader in de City. Cruijff. Vijfenzestig, nu. Maar toen nog een jongen. Een lichaam ontworpen voor snelheid. Gezicht gesneden in de windtunnel. Spitse kin en neus, mond open, ingevallen wangen – en het haar van mijn broer.
Het beeld is bijna verdreven door dat van de rancuneuze oude man. De tragiek van het ouder worden. Maar ook de tragiek van de vorst die te veel meelopers en ja-knikkers om zich heen heeft gehad. Te weinig mensen die hem tegenspraken. ‘Zit nou niet zo slap te lullen, man.’
Je zou het hem gunnen.
En Ajax ook.
Maar nu toch liever eindigen met de jongen voor het geestesoog.
Twee jongens, beter gezegd. Of misschien toch één. De linker werd gevonden in Betondorp. De rechter in de netten van een Italiaanse trawler voor de Adriatische kust.
Victorious youth. Dat is de naam die in het Getty Museum in Malibu op het plaatje staat.

    

Salad-days

Gisteren zag ik een stukje van Visconti’s Dood in Venetië op tv. Terwijl ik zat te kijken moest ik denken aan het boek De jongen van Germaine Greer, dat een paar jaar geleden is verschenen. In dat boek verzette de schrijfster zich tegen de overheersende rol van de vrouwelijke schoonheid in de kunst en de media. Ze wilde laten zien hoe in de eeuwen daarvoor juist de man, en dan met name de opgroeiende jongen, het schoonheidsideaal had beheerst. Het ging Greer om het beeld van de oogverblindende jeugd. Zij verwees daarbij niet alleen naar klassieke kunstwerken uit het verleden, zoals Cellini’s Narcissus en Donatello’s David, maar ook naar hedendaagse iconen als Brian Jones en Marc Bolan, James Dean en Kurt Cobain, allen, misschien niet toevallig, jong gestorven helden. ‘De man is mooi wanneer zijn wangen glad zijn, zijn lichaam onbehaard, zijn blik helder, zijn houding beschroomd en zijn buik plat,’ zo schreef Greer, ‘ze moeten oud genoeg zijn om seksueel geprikkeld te kunnen worden, maar nog niet zo oud dat ze zich al moeten scheren. Die tijd is in een vloek en een zucht voorbij.’ Een foto van Bjorn Andresen, de jonge acteur die in 1971 in Dood in Venetië de rol van Tadzio speelde, sierde het omslag van het boek.
Mij deed Bjorn Andresen, toen en ook nu weer, denken aan een jonge, kwikzilverige speler uit de Ajaxschool, een aalvlugge rechtsbuiten met een mooie schaarbeweging en een wegdraaiende voorzet. Een speler in de voetsporen van Frank Rijkaard, Marco van Basten, Gerald Vanenburg, John van ’t Schip, Brian Roy, Richard Witschge, Dennis Bergkamp, Raphaël van der Vaart en Wesley Sneijder. Voetballers met platte buik, gladde wangen en heldere blik, in de salad-days van hun loopbaan, als hun spel nog gekenmerkt wordt door lichtheid, snelheid, onbeladenheid, overmoed en exuberantie.
Ik denk dat wij zo van die jonge talentvolle spelers houden omdat wij, in die vergeefse strijd tegen het verglijden van de tijd, jonge voetballers nodig hebben om onszelf op de tribune jong te voelen, om de eeuwige droom van een eeuwigdurende jeugd voort te kunnen zetten. Ik ben daarom van mening dat het jeugdcomplex van Ajax met De Toekomst een verkeerde naam heeft gekregen: het is het verleden dat wij er herbeleven, in een herinnering die, zoals elke herinnering, een illusie is.
De aanblik van de jonge Bjorn Andresen dreef mij naar mijn computer. Met zijn naam als zoekwoord probeerde ik erachter te komen wat er van hem was geworden. Het was niet veel informatie wat ik vond, maar genoeg om te weten dat het met zijn filmcarrière na Dood in Venetië niet echt heeft willen vlotten. Hij speelde in de twintig jaren die zouden volgen nog wat kleine rolletjes in Zweedse films met titels als The Simple-Minded Murder, One-Week Bachelors en King of Smugglers. Hij heeft een dochter, twee stukgelopen huwelijken achter de rug, woont in Stockholm, en is nu ergens in de vijftig.

tadzio.jpg