Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (9)

Het is niet onopgemerkt voorbijgegaan, maar erg veel luister is het nu ook weer niet bijgezet. Ik heb het over de 65e verjaardag van David Bowie, die afgelopen zondag plaatsvond. Ligt het aan mij of lijkt zijn reputatie wat af te kalven? Er wordt tegenwoordig getwijfeld over de importantie van zijn bijdrage aan de popmuziek, zo lijkt het. Naar mijn smaak kunnen we die, zo lang we onze aandacht richten op de jaren zeventig en de laatste 25 jaar van zijn carrière vergeten, nooit overschatten.
Met tal van anderen vroeg ik mij bij zijn 65e verjaardag af wat zijn beste nummer is. Dan blijkt weer eens hoeveel moois Bowie ons heeft nagelaten. Space oddity, Changes, Life on Mars, Starman, Ziggy Stardust, Jean Genie, Diamond Dogs, Rebel Rebel, Young Americans, Fame, Heroes, Sound and Vision. Mijn favoriete album was en is nog steeds Station to Station, een elpee die de overgang markeert van de Amerikaanse soul van Young Americans naar de Europese elektronica van Low. Zes nummers maar, telt Station to Station, maar wel zes nummers waarin de creativiteit van Bowie samengebald en onversneden tot een absoluut hoogtepunt komt.
Station to Station, Golden Years, Word on a Wing, TVC 15, Stay en Wild is the Wind. Ik vind ze alles zes fantastisch, maar als ik dan toch één nummer moet kiezen dat ik tot Bowie’s Beste Nummer kroon, dan is het Golden Years.
Al was het alleen maar om het tv-optreden dat ik op YouTube vond. Het komt uit het programma Soul Train. Soms zagen we in Nederland daarvan een fragment langskomen in Top Pop. Kijken naar Soul Train voelde bijna als het bijwonen van een antropologisch veldonderzoek. De studio vol donkere Amerikanen, met hun grote Afro’s, hun kleding, hun muziek en hun manier van dansen: exotischer dan dat kon het niet worden, bezien vanuit een Amsterdamse huiskamer in de eerste helft van de jaren zeventig. En te midden daarvan The Thin White Duke himself.
Dunner en witter dan ooit.
Wat overigens niet alleen door de omgeving kwam, maar ook door zijn eigen verslaving aan cocaïne.

Advertenties

Goede bedoelingen

Afgelopen weekend naar de tentoonstelling Amsterdam Nieuw-West ’50-’60 in het Stadsarchief Amsterdam geweest. Een fascinerende, vertederende en weemoedig stemmende tentoonstelling over de wijken Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse Veld en Osdorp, die op basis van het Algemeen Uitbreidingsplan van Cornelis van Eesteren uit 1934 in de jaren vijftig en zestig werden gerealiseerd.

Toch hadden de makers van de tentoonstelling naar mijn smaak iets meer distantie tot het onderwerp moeten betrachten. En zich, anders dan de argeloze bezoeker, minder moeten laten meevoeren door vertedering en weemoed. Er valt wel iets meer over dit deel van Amsterdam te zeggen dan ‘Ook tegenwoordig is Nieuw-West nog steeds een bijzondere wijk’.

Aan de andere kant begrijp ik die emotie wel. Het is moeilijk om niet gegrepen te worden door de goede bedoelingen waarmee de wijken destijds werden ontworpen, gerealiseerd en bewoond. En stiekem te verlangen naar de naïviteit waarmee dat, bezien vanuit het perspectief van vandaag de dag, gepaard ging.

Lees verder

 

Vergeten groenten

Al mijn hele tuinleven lang droom ik van een moestuin. Het is een romantische gedachte, waarin ik mijzelf met schep en schoffel bezig zie in de weerbarstige klei. Een kruiwagen mest hoort erbij en rubber laarzen. En het gezicht en de stem van de in 1996 overleden Geoff Hamilton, die 17 jaar lang Gardener’s World presenteerde. ‘The richness of the soil,’ hoor ik hem dan altijd zeggen, of woorden van gelijke strekking, terwijl hij met zijn handen door de aarde woelt. Dat zou ik ook wel willen doen. Met mijn handen door de aarde woelen. En aan het eind van de dag met een emmer aardappelen, worteltjes en boontjes thuis komen. Waar we dan iets lekkers van klaar maken. Geroosterde aardappeltjes met veel knoflook en rozemarijn. Boontjes met harde schapenkaas  en citroenmelisse. Tomaatjes met dragon. Super vers en helemaal puur. Al passen die laatste woorden niet echt bij het beeld. Maar ja, probeer maar eens woorden te vinden die nog wel authentiek klinken nu ‘vers’, ‘puur’ en ‘eerlijk’ door de commercie zijn geconfisceerd.
>lees verder

Het Boek der Boeken

Het was op een zondag, een paar weken geleden. Een mooie zondag waarop ik met mijn vrouw door de Amsterdamse Waterleidingduinen liep. Met haar en vele andere wandelaars, die je overigens na een paar minuten en evenzovele afslagen bijna niet meer zag. De andere wandelaars dan; mijn vrouw bleef aan mijn zijde. Wie je wel regelmatig bleef tegenkomen waren de damherten. Of eigenlijk struikelde je er bijna over. De populatie is zo groot dat er sprake schijnt te zijn van overlast en het voornemen om er een aantal af te schieten. Het blijft lastig, natuur in Nederland.
Toen wij daar over de zandpaden liepen en ons herinneren hoe we het er vroeger, toen onze zoon nog klein was, met een enkele hoefafdruk moesten doen, schoot mij plotseling een herinnering te binnen van nog veel oudere datum. Aan een advertentie die ik ooit als kind had gezien. Of het nu was in de Kuifje, Pep of Robbedoes, dat weet ik niet meer, maar het was in een stripweekblad, dat weet ik zeker. De advertentie had zelf ook de vorm van een kort, paginagroot stripverhaal. Hij is een aantal malen geplaatst, tenminste, dat denk ik: ik weet bijna zeker dat ik hem destijds meerdere malen heb gezien. Het stripverhaal ging over een paar jongens, misschien padvinders, misschien ook niet. Ze lopen door een bos, stuiten op dierensporen en vragen zich af om welk dier het gaat. Een van die jongens blijkt schoenen te hebben waarvan de zool is uitgerust met een profiel waarin de afdrukken van dierensporen zijn verwerkt. De afdruk van zijn schoenen laat een handvol poot- en hoefafdrukken zien, met daaronder, in kleine letters, de naam van het betreffende dier.
Ik weet niet hoe ik onder woorden kan brengen hoezeer ik onder de indruk was van deze schoenen.
Terwijl ik dit onder een zwak winters zonnetje aan mijn vrouw vertelde, bracht de ene herinnering een andere met zich mee: die aan het Grote Woudlopers Handboek, van Kwik, Kwek en Kwak. De herinnering stamt uit dezelfde tijd: de tweede helft van de jaren zestig, de tijd waarin ik opgroeide en stripverhalen mijn zucht naar kennis en avontuur bevredigden en tegelijkertijd aanwakkerden. Het was een boek waarin alle antwoorden op alle vragen stonden, dat Grote Woudlopers Handboek. Een onuitputtelijke schat aan informatie, het Boek Waar Alles in Staat, het Boek der Boeken – voor een kleine jongen uit Amsterdam-West.
Dat bracht mij op het volgende.
Toen mijn zoontje tussen de twee en drie jaar oud was, had hij, zoals de meeste kinderen van die leeftijd,de gewoonte zijn vellen tekenpapier te vullen met een bonte mengeling van krassen en cirkels. Tekeningen die een enkele keer een verrassend totaalbeeld opleverden, waarin de kleurencombinatie, lijnvoering of vlakverdeling je kon treffen, maar die meestal toch niet meer waren dan de elementen waaruit ze waren opgebouwd: een wirwar van strepen, krullen en kleuren. De massaproductie die hij hierbij aan de dag legde, droeg zeker bij aan dit effect. Toch antwoordde hijzelf elke keer als ik hem vroeg wat hij aan het tekenen was op serieuze toon ‘een vogel’, ‘een auto’, ‘een tijger’, of welk onderwerp hem in die dagen dan ook in zijn greep hield. Ik heb mij elke keer, toen en tot op de dag van vandaag, afgevraagd of hij dat zelf geloofde. Of beter gezegd, of hijzelf in die voor mij onleesbare tekens iets anders las dan ik. Zag hij werkelijk die vogel, auto of tijger? Soms klonk hij tamelijk overtuigend en wist hij zonder moeite vleugel, wielen of staart aan te wijzen. Meestal overigens op een plek waar ik die niet vermoedde.
Langzaam maar zeker worden wij gedurende onze kinderjaren de kunst machtig om dat wat wij zien, in onze fantasie of in de werkelijkheid, te reproduceren. Altijd gaat het waarnemen aan het reproduceren vooraf. Het zien aan het tekenen, het lezen aan het schrijven. Ook als we het hebben over iemand die zich, in ieder geval zo nu en dan, schrijver mag noemen.
Met de schrijver en bibliofiel Alberto Manguel denk ik dat ik misschien zou kunnen leven zonder te schrijven, maar niet zonder te lezen. Of zoals hij schrijft in Een geschiedenis van het lezen: ‘Wij lezen allemaal onszelf en de wereld om ons heen teneinde een glimp op te vangen van wat we zijn en waar we zijn. We lezen om te begrijpen, of een eerste inzicht te verwerven. We moeten wel lezen. Lezen is, bijna evenzeer als ademhalen, onze essentiële functie.’
Ik kan mij, zoals waarschijnlijk iedereen, de eerste kinderboeken die mij voorgelezen werden en die ik zelf las, nog goed herinneren. Ik zal de titels en hoofdfiguren hier niet gaan opdreunen. Het gaat mij niet om de nostalgie, of de couleur locale van een tijdperk, maar om Het Boek, geschreven met hoofdletters, het mythische boek uit de kindertijd. Elk boek, en elk boek weer, was in die jaren een wereld, een oneindige wereld, die je een thuis bood en waarin je kon wegvluchten. Niet omdat de werkelijkheid iets was waaraan je moest ontsnappen, maar simpelweg omdat het boek je naar binnen lokte en betoverde. Of in de woorden van de filosoof Walter Benjamin die ik ooit eens las en noteerde: ‘Je las een boek niet door; je woonde erin, je verbleef tussen de regels.’
Zo kon ik later, toen ik groot was, bijna niet geloven dat de wereld van Winnie The Poeh, dat gebied van het ‘100 aker wood’, de ‘six pine trees’ en ‘the north pole’, waarin ik zoveel uren, dagen, of moet ik zeggen kilometers, had rondgezworven, niet meer dan twee deeltjes met elk tien verhaaltjes besloeg.
Behalve een schuilplaats biedt het lezen in de kindertijd ook een perspectief op het leven: dat van de waarnemer, de beschouwer, die in de werkelijkheid ziet, of zoekt, wat hij in zijn eigen particuliere belevingswereld eerder heeft gezien en gelezen. Althans, dat denk ik. Net zoals ik denk dat dit lezen uit de kindertijd, dit jezelf verliezen en weer vinden in de boeken, voorafgaat aan het schrijven dat wij later doen. Of wat ik doe, beter gezegd.
Wat is het schrijven anders dan het heropbouwen van die oneindige wereld, waarin het verhaal, anders dan in het leven, niet ophoudt, of in ieder geval weer opnieuw gelezen kan worden?
Het was een aangename wandeling, die zondag, waarop wij de damherten bleven bewonderen, hoe veel wij er ook zagen. We sloten hem af bij de kleine uitspanning De Oase, zoals onze eigen kleine traditie het wil. Zelfs reden we nog even door naar Zandvoort: als je zo dicht bij zee bent, moet je er toch even langs om naar de golven te gaan kijken.
Damherten, schoenen, woudlopers.
Als de bron van het schrijven daar ligt, in The Never Ending Story, in de wereld van het oneindige kinderboek, en als wij de echo van dat verhaal ook later nog steeds horen doorklinken in de literatuur die wij lezen en schrijven, betekent dat dan dat er niets is veranderd?
Misschien niet veel meer dan dat wij op een zeker moment geen boeven en schatten meer najagen, maar alleen nog op zoek zijn naar een schim uit het verleden, of naar onszelf.

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (8)

Het was een overzichtelijke tijd, de eerste helft van de jaren zeventig. Voor een jongen uit Amsterdam-West althans. In huis stond de radio aan en een keer in de week kwam TopPop op tv. Je kunt dat schraal noemen, of eenzijdig, maar ik was er op dat moment tevreden mee. Nog wel tenminste. Niet veel later zou alles anders zijn.
Volgens de bronnen verscheen Make me smile in 1975; ik had het zelf een paar jaar eerder gedacht. Maar veel verschil maakt het niet: 1972 of 1975, ik zit in de huiskamer op een ribfluwelen bank tv te kijken en Ad Visser presenteert TopPop, wat hij trouwens zou blijven doen, ook toen de bank en ik al lang uit de huiskamer verdwenen waren.
Er waren twee redenen waarom Steve Harley’s Make me smile een grote indruk op mij maakten. In de eerste plaats was er de wijze waarop Steve Harley zong, al is dat niet het juiste woord voor de manier waarop hij de tekst voordroeg. Ik heb altijd een zwak gehad voor zangers met een laid back, lijzig, ja temerig stemgeluid. Steve Harley was de overtreffende trap. Hij leek met tegenzin te zingen, liet onder protest de woorden uit zijn mond komen. Net te laat, net te langzaam. Naast de noten, achter de tel.
Maar er was nog iets anders. Nog meer indruk dan de zang maakten de vier tellen complete stilte na elk refrein. Vier tellen die eindeloos lang leken te duren, waarin de spanning werd opgedreven en ik in onze huiskamer in Amsterdam-West mijn adem inhield. Ik. Op de bank. Kopje koffie op tafel. Sprits erbij. Mijn moeder sluit de gordijnen. Mijn vader gaapt. Vier tellen. Als een tegendraads protest, een muzikale vondst, of gewoon uit ballorigheid, waarna het liedje, met evenveel tegenzin en even dralend en dreinerig als de zang weer verder ging.
Het waren de vier spannendste tellen uit de geschiedenis van de popmuziek. Voor een jongen uit Amsterdam-West althans. Te vergelijken met het stuk 4’33” van John Cage, waarin de componist de uitvoerend pianist 4 minuten en 33 seconden lang niets laat doen. Vier tellen, waarna ze allebei, jongen en popmuziek, nooit meer dezelfde zouden zijn.