Met voorbedachten rade

erna-en-daan

Vanmorgen scheerde ik mij weer met mijn oude Philishave. Omdat het nieuwere exemplaar dat wij samen deelden, gisteren met mijn zoon is meegegaan.

’t Is even wennen.

Gisteravond stuurde hij een berichtje waarin hij vroeg of zijn rugzak met laptop nog bij ons stond. Het ding bleek nog in onze slaapkamer te staan. Waarop hij zei dat hij het vandaag kwam halen.

Ik verdenk zijn moeder ervan dat ze het met opzet heeft gedaan.

Zelf ontkent ze dat ten enenmale.

 

Proefwonen

daan

Zoonlief woont tijdelijk in de stad. Hartje Amsterdam. In een woning van een kennis die een paar weekjes naar het buitenland is.

Soms komt hij langs. En dan gaat hij weer.

Toen ik van de week terugkwam van een boodschap en zijn fiets in de voortuin zag staan, maakte mijn hart een sprongetje. Ik was even vergeten dat hij die dit weekend bij ons had laten staan.

‘Oh, een tijdje proefwonen,’ noemde een vriendin van ons het, ‘om te wennen.’

Zoiets, ja.

Al lijkt de proef bij nader inzien niet zozeer voor hem als wel voor ons te zijn bedoeld.

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (12)

Het hupje. Daar wil ik het graag met u over hebben. Gisteravond ben ik namelijk met zoonlief naar U2 geweest. Cadeautje van hem aan mij. De schat.

Als Boy uitkomt in 1980 ben ik 18, net als Larry Mullen en The Edge, Bono en Adam Clayton zijn een jaar ouder. Ik mis hun concert in de Melkweg in oktober van dat jaar, maar laat mijn haar knippen door een Ierse jongen die hen kent uit Dublin. Jongens zijn we, maar aardige jongens. Al zeg ik het zelf.

Ik heb een vriend die gitaar speelt, wat zeg ik: die waanzinnig goed gitaar speelt. We pluizen elke noot die The Edge speelt uit en proberen zijn sound na te bootsen met de beperkte effect- en opnameapparatuur die we hebben. Als er toen toch internet en YouTube had bestaan. Zoekt u op YouTube maar eens op ‘dotted eighth note delay‘ en u zult begrijpen wat ik bedoel.

Ik vraag me af hoe lang David Evans het leuk is blijven vinden dat zijn jeugdvrienden hem ooit The Edge zijn gaan noemen. Als je mid twintig bent begint dat toch al een beetje kinderachtig te worden, denkt u niet. Zelf zul je hem er niet over horen. Horen doe je hem so wie so niet veel: dat laat hij aan Bono over. Hij weeft al 35 jaar zijn syncopische gitaarpatronen, bepaalt het groepsgeluid en laat in zijn achtergrondzang stiekem zien dat hij misschien wel een betere zanger dan Bono is.

En dan dat hupje. Coole jongens dansen niet. Die wiegen zachtjes op de maat van de muziek, met de ene hand rond de hals van een gitaar en de andere op de heup. Hij beheerst het tot in de perfectie, al is-ie iets strammer in de heupen dan vroeger wellicht. Het houdt het midden tussen het wiegen van een kind en het dansen van een bokser. De shuffle van David Evans, die voor mij verbonden is aan zijn gitaartechniek, waarvan wij op onze jongenskamers het geheim probeerden te ontrafelen.

Ik aanschouwde het gisteren voor het eerst zelf, live, met eigen ogen. Kijkt u onderstaand filmpje er maar op na, opgenomen tijdens dat fantastische concert in de Ziggo Dome . Het is een uitvoering van Out of control, een nummer van die eerste elpee uit 1980.

David Evans is nu 53, net als Larry Mullen en ik. Bono en Adam Clayton zijn een jaartje ouder. En mijn zoon, die is 20.

 

Sandwichformule

Met zoonlief naar Mike Kelley in het Stedelijk: één museumjaarkaart en een CJP. Hij steekt tien centimeter boven mij uit, maar terwijl we in de rij staan denk ik, voor de zoveelste keer, terug aan een zondagmiddag in het Singer Museum in Laren. Ik mag er graag over vertellen. En schrijven; hoed u voor schrijvende vaders
Het was in 1999. Hij was toen vier jaar en met z’n drieën bezochten we die zondagmiddag een tentoonstelling van schilderijen van Jan Sluyters . We bewonderden het werk van Sluyters en slenterden enthousiast en tevreden door het museum. Op een gegeven moment liep hij als eerste van ons drieën de volgende zaal in, keek vanuit het midden in het rond, wees op een doek en zei luid: ‘Kijk, nog een blootje.’ Sindsdien ben ik een vurig pleitbezorger voor het vervangen van de term ‘een naakt’ door ‘een blootje’. Maar dit terzijde.
kelleyOok bij Kelley was wat bloot te zien. Maar gelukkig niet zo veel dat vader of zoon zich ongemakkelijk in elkaars gezelschap voelde. Ik weet nog hoe ik lang geleden samen met mijn vader en moeder tijdens een tv-programma van Wim T. Schippers met een striptease werd verrast. Was een onaangename spanning, daar in die bovenwoning. Een die overigens door mijn moeder werd doorgeprikt met de opmerking ‘zie je dat, haar ene borst is kleiner dan de ander’.
Zou het werk van Kelley over dit soort dingen gaan? Over seksualiteit en moraal? Over beeld en beeldcultuur? Misschien. Er viel veel te lezen over vermeende duidingen van zijn werk, maar dat liet ik ongelezen.
Ik moet nog zeggen wat ik ervan vond. Denk ik. Althans, dat was ik wel van plan. Het punt is dat ik niet zo goed weet wat ik ervan vond. Wat in zekere zin al pleit voor het werk, toch?
Laat ik dit zeggen.
Het was een fascinerend kijkje in een bijzonder universum. Soms leverde dat intrigerende beelden op, geladen met een indringende kracht, een idee van betekenis en zelfs een visuele aantrekkingskracht. Ze brachten mij tot de gedachte dat de rol van de kunstenaar die is van vertaler, of van transformator liever. Die het particuliere omzet in het openbare en het algemene bijzonder maakt. Of het heilige aards en het aardse heilig, als u dat liever hebt. Of het kleine groot en het grote klein. Hoe dan ook, het gaat om die transitie. Goede kunst slaagt daarin. Slechte blijft steken in of het strikt persoonlijke, of in pamflettisme.
Tenminste, dat dacht ik gisteren.
En alleen dat was het bezoek al meer dan waard.
Later in de middag gingen we nog naar Zero Dark Thirty: de beproefde sandwichformule.
Of ‘eerst goed, dan zoet’, zoals ik een moeder ooit eens bij het ontbijt tegen haar kind hoorde zeggen.

 

Van wandelende planten en een dode hamster

Er zijn altijd stukjes van de tuin die niet willen wat jij wil. Stukjes met een eigen willetje. Achter in de tuin, in de schaduw van de schuur, hebben wij zo’n stukje. Tegen de schuur groeit een klimhortensia die het hele hoekje dreigt te overwoekeren. Daarvoor staat een Kirengeshoma palmata. Daar hoor je mij niet over klagen. Alles is mooi aan deze plant: de bladeren, de stengels, de bloemknoppen, tot de zaaddozen aan toe. Het is een uiterst gemakkelijke plant, een sulletje bijna, die zelfs met een plekje in de diepe schaduw tevreden is.
Naast de Kirengeshoma heb ik jaren geleden een paar exemplaren van Ligularia przewalskii geplant. Omdat die ook zo’n mooi ingesneden blad heeft. Er is iets grappigs met die plant aan de hand: hij wandelt. Doen meer planten, dat wandelen. Elk jaar verplaatsen ze zich een stukje. Steeds een paar kleine pasjes naar links of rechts. Stiekem. Als ik even niet kijk. Van het diepste schaduwplekje naar een waar zo nu en dan toch wat zonlicht valt. Of vanuit de hoek van een border langzaam aan steeds verder naar voren.
Het zijn de migranten onder de planten. En wie ben ik om ze tegen te houden en weer terug te zetten op hun plaats? Vanuit het zonnetje weer terug de schaduw in? Voel me dan net een minister die een tiener terug naar Angola stuurt.

>lees verder