Beeldrijm 15: Der Tod und das Mädchen

LOST IN AMSTERDAM 138-1600

Te mooi om waar te zijn. Die donkere mars naar het graf aan linkerzijde en het in licht getekende meisje daarnaast. En toch waar. Of niet?

Het is een vreemde relatie, die tussen feit en fictie. Zoals zovelen dacht ook ik ooit dat ik door te schrijven het verleden kon fixeren. Een monumentje kon oprichten. Het verleden kon bewaren, behoeden voor vergankelijkheid. Het tegendeel is waar. Het is ontegenzeggelijk waar dat fictie er beter uitziet als we het begiftigen met een ziel. De adem der levenden inblazen. Maar de keerzijde hiervan is dat wij het feit, de werkelijkheid, daarmee het leven ontnemen. De arme ziel. Met een bloedeloos wit gelaat ligt zij, de levende, de herinnering, in onze armen, de armen van een moordenaar.

De stoet der rouwenden aan linkerzijde. Het licht dat over haar wangen streelt.

Het is een veelvoorkomend thema in mythes en verhalen: de een doden om de ander tot leven te wekken. Het is een gevaarlijk wapen, de pen. Een moordwapen waarmee wij dat om het leven brengen wat ons het liefste is. Some do it with a bitter look. Some with a flattering word. The coward does it with a kiss.

Soms is de werkelijkheid te mooi om waar te laten zijn. De verleiding te groot om de pen te laten waar hij is. Maar gelooft u mij. Door van feit fictie te maken, sterft de herinnering. Als er al sprake van een monumentje is, dan heb ik van vlees en bloed steen gemaakt.

Alles wat ik heb geschreven ben ik kwijt.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 8: Zwart-wit

WASBOY 2-2000

De herinnering van een knijper tussen vrouwenlippen kan mij weemoedig stemmen – maar wat kan dat niet. Een lijn met wasgoed, een mouwloos huishoudschort met bloemenmotief, mijn moeder die met ketels kokend water sjouwt. Haar driftige bewegingen boven het wasbord, de opgestroopte mouwen, de gefluisterde belofte van zomerwarmte. De damp die opstijgt uit de tobbe en de geur van zeep die niet alleen uit het water lijkt te komen, maar ook uit het gras, de bomen, de zon, de wolken, de hemel, ja uit de wereld zelf. En de zachte, tedere kus van wasgoed op een zomerochtend. De frisse liefkozing van nat textiel dat zich als een tweede huid tegen je wangen vlijt.

Een man met zwarte hoed en cape kan mij schrik aanjagen – maar wat kan dat niet. Ik zag mijn schaduwman voor het eerst in een televisieprogramma uit mijn vroege kinderjaren. Gehuld in zwarte cape en broek liep hij over een bosweggetje, een kijkdoos onder zijn arm. Zijn gezicht ging schuil in de schaduw van zijn hoed. Plotseling kwamen er kinderen tevoorschijn – maar waarvandaan? Ze verdrongen zich voor de gaten in zijn kijkdoos en gingen met hem mee – maar waarnaartoe? Het was een onschuldig kinderprogramma, waarin een aantal poppen brave, trage avonturen beleefde. Marskramer. Kinderlokker. Rattenvanger van Hamelen. Schaduwman. Ik was bang voor hem – en ben dat nog steeds. De man in het zwart. Zonder gezicht.

De idylle en de nachtmerrie. Het zoet van de herinnering en het genot van het krabben aan het korstje op de wond.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

 

Beeldrijm 5: Het geheugen als pop-up museum

UIT

Een miezerig straaltje, dat was alles wat er voor ons op de eerste verdieping overbleef van het daglicht dat door het dakraam naar binnen viel en op zijn weg naar beneden veel van zijn intensiteit verloor. In dat clair-obscur van het trappenhuis bespraken onze moeders hangend over de trapleuning de dingen van de dag. Met mijn hoofd tegen de spijlen keek ik omhoog, waar onze bovenburen zich als donkere silhouetjes aftekenden tegen de rechthoek zonlicht in het dak.

‘Fwie-huu.’ Het tweetonige fluitje waarmee mijn moeder haar buurvrouw roept. En mij. Nu. ‘Joe-hoe,’ antwoorden zij en ik. ‘Kof-fie.’ ‘Ik-kom-er-aan.’ Bes-G. Bes-Bes-G. Octaaf en kleine terts. Ik hoor hen rebbelen, kwetteren, kwinkeleren. Meerstemmige sprechgesänge zijn het, madrigalen, melodieën die omhoog cirkelen, om elkaar heen fladderen, in duikvlucht langs de treden scheren en hoger en hoger opstijgen in het licht, dat als een jakobsladder door het dakraam valt.

Als ik de trap beklim, stijg ik vanuit de schemering op naar de zon. Met elke etage en elke wenteling van de trap strekt zijn schijnsel zich steeds verder uit, tot het tenslotte op de zolderverdieping tot in de verste hoeken en kieren stroomt en ik tot mijn enkels door het zonlicht waad. Achter een van de deuren op die droomverlichte zolderetage houdt een buurman zijn kanaries. Soms mag ik daar kijken, achter die deur, waarachter gezang opklinkt dat op dat van onze moeders lijkt. Klein, gaaf en rond liggen de eitjes in de nestjes. Maar als ze breken kruipen er kale monstertjes uit, nat en plakkerig, de ogen dicht, de snavel veel te groot. Ze duwen elkaar opzij, vertrappen elkaar, strekken hun magere nekjes en sperren hun snaveltjes wijd open, om maar zo snel en zo veel mogelijk voedsel naar binnen te krijgen, ten koste van de ander als het moet. Doodsangst drukken ze uit en dood moeten ze, vind ik – en het wonder van dat zolderkamertje is dat uit zo’n nachtmerriegedrocht een zacht, pastelkleurig zangvogeltje groeit.

Vanuit het kamertje is het nog maar één stap verder naar het platte dak van het pand, waar onze vaders met trage slagen bouten losdraaien, antennes als woudreuzen van hun sokkel lichten. Hier geen gezang maar geblazen hoorns, kreten, aanwijzingen, schorre kelen, schuurpapieren wangen, eelt. Van hun handen gaat mijn blik voorbij de rand van het huizenblok, naar de toppen van de bomen die uit de straten en tuinen omhoog steken, als groene eilanden uit de golven, en nog verder, waar de zon ontelbare pannetjes, dakgoten en zolderramen laat glimmen en schitteren, en uit die zee van platte en schuine daken rijst een woud van antennes op, als de masten van een vloot. De benen wijd, de voeten schrap, laat mijn vader de antenne aan een touw over de dakrand zakken. Langzaam gaat het touw door zijn vingers, een anker, een net vol vissen, en vanuit diepten onder ons klinkt, o wonder, de stem van mijn moeder: ‘rechts, links, zakken, ho!’

Het geheugen is een pop-up museum. Waarin een jongetje zich verstopt. Met een rugzak aan een stok.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Zie ook de vorige afleveringen in de reeks.)

Lente

Toen ik vanmorgen op de fiets over de Europaboulevard reed, zag ik haar net als gisteren weer staan. Wachtend. Met haar fiets. Op een hoek.
Een meisje van veertien. Met de voor die leeftijd zo typerende gewichtsloze blik. Die zowel verlegenheid, vervoering als verveling kan betekenen.
Terwijl ik haar passeerde, reed vlak achter mij een fietser de stoep op. De jongen zelf zag ik niet: ik hoorde alleen zijn stem.
‘Moest je lang wachten?’
En ik wist: ooit, over dertig, veertig jaar, komt er een moment waarop ze zich dit ogenblik herinneren.

Herfst

Waar het in mijn voorlaatste post nog lente was, is nu het najaar al weer aangebroken. Het kan verkeren.
Soms is het goed om een stap achteruit te doen. Afstand te nemen. De pen een tijdje neer te leggen. En ach, het verlangen naar en terugkijken op de zomer  is vaak mooier dan de consumptie zelf.
Daarom is de stap van de belofte van een zomerdag naar de herinnering ervan maar een kleine.
Belofte en herinnering, daar draait het misschien wel om, ja.
En niet alleen bij de seizoenen.