Bookstore Day

bookstore.jpg

Het kreeg de nodige aandacht op radio, tv en in de pers: Record Store Day. Op zaterdag 16 april werden platen, platenzaken en platenliefhebbers in het zonnetje gezet.

Ik zie dat graag. Hoewel ik mijn muziek voornamelijk via Spotify beluister, ben ik supporter van vinyl, van platenwinkels en van alles wat naar Voorbije Tijden neigt.

Of Voorbije Tijden? Als ik de publicaties mag geloven is vinyl terug van (eigenlijk nooit) weg geweest, de platenzaak opgenomen in de vintage trend en offline helemaal hip.

Ik schreef het laatst al naar een  marketingbedrijf dat voor bibliotheken werkt: “Stel je het volgende voor. Een jonge CEO van een start-up komt je kantoor binnen en schetst je een beeld van een hippe onderneming waarin het beste van twee werelden wordt gecombineerd. De voordelen van streamingdiensten gecombineerd met de look & feel van vintage. De principes van een share economy met de sfeer van een community table. De kracht van storytelling met de geur van papier. Online presence gecombineerd met loungebanken en latte macchiato. Bricks met clicks, offline met online, multimedia met zelfontplooiing, hippies met hipsters, babyboomers met digital natives… Je steekt je hand op. Wacht even, onderbreek je hem, goed verhaal, maar het bestaat al. En we noemen het ‘bibliotheek’.

Laten we het gewoon hardop uitspreken: de toekomst is aan het boek. Het papieren boek. Bij wijze van startschot stel ik voor om die toekomst in te luiden met het uitroepen van een Bookstore Day.

In het Engels, ja.

Dat dan weer wel.

Advertenties

Ruimte en tijd (2)

Hoe verder we kijken, hoe verder terug in de tijd we gaan, ja, maar we hoeven de blik niet op de hemel te richten om het verleden te zien. Hoe zei William Faulkner het ook al weer? The past is never dead. It’s not even past.

Daaraan herinnerde de film 45 Years me nog maar weer eens. Daarin valt vlak voor de viering van hun 45-jarig huwelijk bij een echtpaar een brief op de deurmat. Het lichaam van de vijftig jaar daarvoor in een gletsjerspleet gevallen vriendin van de echtgenoot blijkt te zijn gevonden. Door de opwarming van de aarde en het smelten van de gletsjers is het door het ijs geconserveerd en nog even jong als destijds aan de oppervlakte gekomen.

Terwijl de voorbereidingen voor het feest zo goed en zo kwaad als dat gaat doorgaan, legt dit nieuws iets in het huwelijk bloot. Maar wat precies? Dat wij de mensen, zelfs hen met wie wij ons leven delen, altijd slechts ten dele kennen? Dat er ruimten in de geest, ziel en herinnering van de ander zijn die voor ons afgesloten en onbereikbaar blijven? Dat wij op onze schouders de last moeten dragen van de ontelbare paden die ons leven in had kunnen slaan? Met alle spijt, pijn, wroeging en lijdzaamheid die daarbij hoort? Dat, kortom, het verleden nooit dood is and not even past?

Het is een prachtig motief in de film en literatuur, dat moment waarop dat inzicht in al zijn schoonheid en wreedheid tegelijk aan ons wordt geopenbaard. Inderdaad, zoals het aan het oppervlak komen van een lijk in het ijs.

We kenden het al uit bijvoorbeeld The Dead, de film van John Huston uit 1987, naar het gelijknamige verhaal van James Joyce. Waarin dit maal de echtgenote op het einde van verhaal en film haar man vertelt over de dood van een jeugdliefde van haar, waarna zich een zelfde kantelmoment voordoet en hij tot een gelijksoortig inzicht komt.

De wisseling van man en vrouw is niet de enige spiegeling in The Dead en 45 Years, Waar de geest uit het verleden bij Joyce en Huston pas op het allerlaatste moment zijn opwachting maakt, daar wordt de brief al in de eerste scène bij het echtpaar bezorgd. En dat is, naar mijn mening, ook meteen het enige zwakke punt van de film. Wij hebben als kijker niet de tijd gekregen om de man, gespeeld door Tom Courtenay, te leren kennen voor de brief hem, haar en hun relatie aan het wankelen bracht. Je zou ook kunnen zeggen dat de regisseur misschien iets te snel partij voor de echtgenote kiest. Een prachtige rol overigens van Charlotte Rampling, die (zou het toeval zijn?) na zoveel jaren zo maar opeens uit het ijs tevoorschijn gekomen lijkt te zijn.

Hoe luidt ook al weer die laatste regel uit het verhaal van Joyce? His soul swooned slowly as he heard the snow falling faintly through the universe and faintly falling, like the descent of their last end, upon all the living and the dead. Sneeuw en ijs. Waar de sneeuw bij de een het graf van de gestorven jeugdliefde toedekt, daar smelt het ijs bij de ander en legt zo het graf van de jeugdliefde bloot.

IJs en smeltwater. Zo zijn we toch weer bij Mars terecht gekomen.

Trespassers W

Wist u dat er per jaar 2000 keer een boete wordt gegeven op grond van artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht?
Ik ook niet.
Ik las het in de boekenbijlage van de NRC van afgelopen vrijdag. Hierin besprak Guus Middag het boek Verboden aan te plakken van Jelle Leenes. Klonk als een leuk boekje, waarin de schrijver onder andere de wereld ontsluit die schuil gaat achter het bordopschrift ‘Verboden Toegang, Art. 461 Wetb.v.Strafr.’.

Ik moest daarbij denken aan het bordje der bordjes, de moeder aller bordjes: het bord met Trespassers W erop dat naast het huisje van Piglet staat.

Voor de liefhebbers:

The Piglet lived in a very grand house in the middle of a beech-tree, and the beech-tree was in the middle of the forest, and the Piglet lived in the middle of the house. Next to his house was a piece of broken board which had: “TRESPASSERS W” on it. When Christopher Robin asked the Piglet what it meant, he said it was his grandfather’s name, and had been in the family for a long time. Christopher Robin said you couldn’t be called Trespassers W, and Piglet said yes, you could, because his grandfather was, and it was short for Trespassers Will, which was short for Trespassers William. And his grandfather had had two names in case he lost one—Trespassers after an uncle, and William after Trespassers.
“I’ve got two names,” said Christopher Robin carelessly.
“Well, there you are, that proves it,” said Piglet.

Het Boek der Boeken

Het was op een zondag, een paar weken geleden. Een mooie zondag waarop ik met mijn vrouw door de Amsterdamse Waterleidingduinen liep. Met haar en vele andere wandelaars, die je overigens na een paar minuten en evenzovele afslagen bijna niet meer zag. De andere wandelaars dan; mijn vrouw bleef aan mijn zijde. Wie je wel regelmatig bleef tegenkomen waren de damherten. Of eigenlijk struikelde je er bijna over. De populatie is zo groot dat er sprake schijnt te zijn van overlast en het voornemen om er een aantal af te schieten. Het blijft lastig, natuur in Nederland.
Toen wij daar over de zandpaden liepen en ons herinneren hoe we het er vroeger, toen onze zoon nog klein was, met een enkele hoefafdruk moesten doen, schoot mij plotseling een herinnering te binnen van nog veel oudere datum. Aan een advertentie die ik ooit als kind had gezien. Of het nu was in de Kuifje, Pep of Robbedoes, dat weet ik niet meer, maar het was in een stripweekblad, dat weet ik zeker. De advertentie had zelf ook de vorm van een kort, paginagroot stripverhaal. Hij is een aantal malen geplaatst, tenminste, dat denk ik: ik weet bijna zeker dat ik hem destijds meerdere malen heb gezien. Het stripverhaal ging over een paar jongens, misschien padvinders, misschien ook niet. Ze lopen door een bos, stuiten op dierensporen en vragen zich af om welk dier het gaat. Een van die jongens blijkt schoenen te hebben waarvan de zool is uitgerust met een profiel waarin de afdrukken van dierensporen zijn verwerkt. De afdruk van zijn schoenen laat een handvol poot- en hoefafdrukken zien, met daaronder, in kleine letters, de naam van het betreffende dier.
Ik weet niet hoe ik onder woorden kan brengen hoezeer ik onder de indruk was van deze schoenen.
Terwijl ik dit onder een zwak winters zonnetje aan mijn vrouw vertelde, bracht de ene herinnering een andere met zich mee: die aan het Grote Woudlopers Handboek, van Kwik, Kwek en Kwak. De herinnering stamt uit dezelfde tijd: de tweede helft van de jaren zestig, de tijd waarin ik opgroeide en stripverhalen mijn zucht naar kennis en avontuur bevredigden en tegelijkertijd aanwakkerden. Het was een boek waarin alle antwoorden op alle vragen stonden, dat Grote Woudlopers Handboek. Een onuitputtelijke schat aan informatie, het Boek Waar Alles in Staat, het Boek der Boeken – voor een kleine jongen uit Amsterdam-West.
Dat bracht mij op het volgende.
Toen mijn zoontje tussen de twee en drie jaar oud was, had hij, zoals de meeste kinderen van die leeftijd,de gewoonte zijn vellen tekenpapier te vullen met een bonte mengeling van krassen en cirkels. Tekeningen die een enkele keer een verrassend totaalbeeld opleverden, waarin de kleurencombinatie, lijnvoering of vlakverdeling je kon treffen, maar die meestal toch niet meer waren dan de elementen waaruit ze waren opgebouwd: een wirwar van strepen, krullen en kleuren. De massaproductie die hij hierbij aan de dag legde, droeg zeker bij aan dit effect. Toch antwoordde hijzelf elke keer als ik hem vroeg wat hij aan het tekenen was op serieuze toon ‘een vogel’, ‘een auto’, ‘een tijger’, of welk onderwerp hem in die dagen dan ook in zijn greep hield. Ik heb mij elke keer, toen en tot op de dag van vandaag, afgevraagd of hij dat zelf geloofde. Of beter gezegd, of hijzelf in die voor mij onleesbare tekens iets anders las dan ik. Zag hij werkelijk die vogel, auto of tijger? Soms klonk hij tamelijk overtuigend en wist hij zonder moeite vleugel, wielen of staart aan te wijzen. Meestal overigens op een plek waar ik die niet vermoedde.
Langzaam maar zeker worden wij gedurende onze kinderjaren de kunst machtig om dat wat wij zien, in onze fantasie of in de werkelijkheid, te reproduceren. Altijd gaat het waarnemen aan het reproduceren vooraf. Het zien aan het tekenen, het lezen aan het schrijven. Ook als we het hebben over iemand die zich, in ieder geval zo nu en dan, schrijver mag noemen.
Met de schrijver en bibliofiel Alberto Manguel denk ik dat ik misschien zou kunnen leven zonder te schrijven, maar niet zonder te lezen. Of zoals hij schrijft in Een geschiedenis van het lezen: ‘Wij lezen allemaal onszelf en de wereld om ons heen teneinde een glimp op te vangen van wat we zijn en waar we zijn. We lezen om te begrijpen, of een eerste inzicht te verwerven. We moeten wel lezen. Lezen is, bijna evenzeer als ademhalen, onze essentiële functie.’
Ik kan mij, zoals waarschijnlijk iedereen, de eerste kinderboeken die mij voorgelezen werden en die ik zelf las, nog goed herinneren. Ik zal de titels en hoofdfiguren hier niet gaan opdreunen. Het gaat mij niet om de nostalgie, of de couleur locale van een tijdperk, maar om Het Boek, geschreven met hoofdletters, het mythische boek uit de kindertijd. Elk boek, en elk boek weer, was in die jaren een wereld, een oneindige wereld, die je een thuis bood en waarin je kon wegvluchten. Niet omdat de werkelijkheid iets was waaraan je moest ontsnappen, maar simpelweg omdat het boek je naar binnen lokte en betoverde. Of in de woorden van de filosoof Walter Benjamin die ik ooit eens las en noteerde: ‘Je las een boek niet door; je woonde erin, je verbleef tussen de regels.’
Zo kon ik later, toen ik groot was, bijna niet geloven dat de wereld van Winnie The Poeh, dat gebied van het ‘100 aker wood’, de ‘six pine trees’ en ‘the north pole’, waarin ik zoveel uren, dagen, of moet ik zeggen kilometers, had rondgezworven, niet meer dan twee deeltjes met elk tien verhaaltjes besloeg.
Behalve een schuilplaats biedt het lezen in de kindertijd ook een perspectief op het leven: dat van de waarnemer, de beschouwer, die in de werkelijkheid ziet, of zoekt, wat hij in zijn eigen particuliere belevingswereld eerder heeft gezien en gelezen. Althans, dat denk ik. Net zoals ik denk dat dit lezen uit de kindertijd, dit jezelf verliezen en weer vinden in de boeken, voorafgaat aan het schrijven dat wij later doen. Of wat ik doe, beter gezegd.
Wat is het schrijven anders dan het heropbouwen van die oneindige wereld, waarin het verhaal, anders dan in het leven, niet ophoudt, of in ieder geval weer opnieuw gelezen kan worden?
Het was een aangename wandeling, die zondag, waarop wij de damherten bleven bewonderen, hoe veel wij er ook zagen. We sloten hem af bij de kleine uitspanning De Oase, zoals onze eigen kleine traditie het wil. Zelfs reden we nog even door naar Zandvoort: als je zo dicht bij zee bent, moet je er toch even langs om naar de golven te gaan kijken.
Damherten, schoenen, woudlopers.
Als de bron van het schrijven daar ligt, in The Never Ending Story, in de wereld van het oneindige kinderboek, en als wij de echo van dat verhaal ook later nog steeds horen doorklinken in de literatuur die wij lezen en schrijven, betekent dat dan dat er niets is veranderd?
Misschien niet veel meer dan dat wij op een zeker moment geen boeven en schatten meer najagen, maar alleen nog op zoek zijn naar een schim uit het verleden, of naar onszelf.

E-lezen

Ik heb niets tegen het e-book. Sterker nog, ik vind het een uitdagende uitbreiding van de mogelijkheden van de schrijver. Van toekomstvisies heb ik weinig kaas gegeten. En van digitale toekomstvisies al helemaal niet. Maar in alle opwinding over de vermeende opkomst van het e-boek weet ik één ding zeker: dat het, zoals ik op de kop af twee jaar geleden hier al schreef, in gekopieerde versie over de elektronische snelweg van huiskamer naar huiskamer zal zoeven. Of zoals Lemniscaat uitgever Boele van Hensbroek het afgelopen vrijdag zei in de NRC: ‘Zodra iets een bestand is, ben je het kwijt.’
Het probleem van piraterij wordt vreemd genoeg meestal over het hoofd gezien. In de toekomstvisioenen die ons voorgespiegeld worden is de schrijver een auteursmerk, iemand die aan het hoofd staat van een eigen werkplaats, wiens boek gedownload wordt en die twitterend zijn digitale volgers op de hoogte houdt. Het 360-gradenmodel, noemt uitgever Joost Nijsen dit, met een term uit de muziekindustrie. Maar laten we eens kijken naar die muziekindustrie. ‘Verwordt dan het gedrukte boek ook tot marketinginstrument?’ schreef ik op 30 januari 2008. ‘Ben alleen wel benieuwd waar wij schrijvers dan ons brood mee moeten verdienen. Zie de Arena nog niet zo snel vollopen voor een voorleesbeurt van een van mijn collega’s.’
Of met andere woorden: van twitteren kan mijn schoorsteen niet roken. Van mijn boekverkoop overigens ook niet, maar dat is weer een heel ander verhaal.