Met voorbedachten rade

erna-en-daan

Vanmorgen scheerde ik mij weer met mijn oude Philishave. Omdat het nieuwere exemplaar dat wij samen deelden, gisteren met mijn zoon is meegegaan.

’t Is even wennen.

Gisteravond stuurde hij een berichtje waarin hij vroeg of zijn rugzak met laptop nog bij ons stond. Het ding bleek nog in onze slaapkamer te staan. Waarop hij zei dat hij het vandaag kwam halen.

Ik verdenk zijn moeder ervan dat ze het met opzet heeft gedaan.

Zelf ontkent ze dat ten enenmale.

 

Advertenties

Beeldrijm 13: Jaartelling

Ze zat op de rand van haar bed, mijn moeder, de handen gevouwen in haar schoot. Ze leek zich mijn aanwezigheid niet bewust, staarde door het raam naar buiten, naar de plantenbakken op haar balkon, glimlachte en zei: ‘Wat een vreemd idee dat ik de viooltjes niet meer zal zien bloeien.’

Ergens vindt er een omslagpunt plaats, een omslagpunt in meten. Waar het referentiepunt van dat wat je nog mee zult maken, verandert in dat wat je niet meer meemaakt.

Het was ergens in de tweede helft van de jaren zestig, dat ik mij als kind realiseerde dat ik het mythische jaar tweeduizend zou meemaken. Negenendertig zou ik zijn, dat was te doen.

Een tiental jaren later kwam het besef dat ik het overlijden zou meemaken van de sporthelden van mijn tijd: Johan Cruijff, Ard Schenk, Eddy Merckx. Een vreemd idee was dat.

Tegenwoordig sla ik soms aan het rekenen. Om te kijken hoe oud ik mijn zoon ga zien worden. Vijftig moet ik wel halen, maar ook niet veel meer dan dat. Een nu nog ongeboren kleinkind zie ik twintig worden, vijfentwintig misschien. Een achterkleinkind, dat wordt krap.

Ze zat op de rand van haar bed, ja, de handen gevouwen in haar schoot. De zon scheen naar binnen en stoffijne deeltjes dwarrelden door de kamer. Er lag een bijna meisjesachtige lichtheid over haar. Ze schommelde nog net niet met haar benen.

Misschien zien we vlak voor de eindstreep alles weer in de juiste proporties.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Vergeten groenten

Al mijn hele tuinleven lang droom ik van een moestuin. Het is een romantische gedachte, waarin ik mijzelf met schep en schoffel bezig zie in de weerbarstige klei. Een kruiwagen mest hoort erbij en rubber laarzen. En het gezicht en de stem van de in 1996 overleden Geoff Hamilton, die 17 jaar lang Gardener’s World presenteerde. ‘The richness of the soil,’ hoor ik hem dan altijd zeggen, of woorden van gelijke strekking, terwijl hij met zijn handen door de aarde woelt. Dat zou ik ook wel willen doen. Met mijn handen door de aarde woelen. En aan het eind van de dag met een emmer aardappelen, worteltjes en boontjes thuis komen. Waar we dan iets lekkers van klaar maken. Geroosterde aardappeltjes met veel knoflook en rozemarijn. Boontjes met harde schapenkaas  en citroenmelisse. Tomaatjes met dragon. Super vers en helemaal puur. Al passen die laatste woorden niet echt bij het beeld. Maar ja, probeer maar eens woorden te vinden die nog wel authentiek klinken nu ‘vers’, ‘puur’ en ‘eerlijk’ door de commercie zijn geconfisceerd.
>lees verder

Aangloeien

Verderop in de gang van het verzorgingshuis staat een groepje verzorgsters en verpleegsters te praten. Ze maken handgebaren, knikken, overleggen; een schiet er in de lach.
‘Mevrouw B. is uit haar bed gevallen,’ verklaart mijn moeder als ik haar ernaar vraag. Naar buiten starend blijft ze met haar rollator middenin de kamer staan. ‘Je vraagt je af hoe je uit je bed kan vallen,’ peinst ze, ‘ik draai me ook tien keer per nacht om, maar ik ben nog nooit uit mijn bed gevallen.’
Ik heb haar wakker gemaakt: toen ik het halletje binnenstapte, betrapte ik haar bij het opzetten van haar bril. Ik knip het koffiezetapparaat aan dat zij al heeft klaargezet, berg haar boodschappen op en hang mijn jas op. Ik schenk koffie in, leg de meegebrachte gevulde koeken op een schoteltje, ga tegenover haar aan tafel zitten en zeg iets over het weer. Ze is er met haar gedachten nog niet helemaal bij, mijn moeder. Op zulke momenten, gewekt uit een van haar hazenslaapjes, heeft ze even tijd nodig. Ze moet aangloeien, als een spaarlamp of een ouderwetse buizenradio. Ik vraag me af of die opstarttijd toe zal nemen, in duur of in frequentie, en of ik er getuige van zal zijn als dat zwakke gloeien niet meer in staat zal zijn een licht te ontsteken in de schemering van haar geest.
Ze drinkt haar kopje leeg: de koffie doet haar zichtbaar goed. Ze pakt een van de lijstjes die ze maakt erbij om te zien wat ze mij vandaag allemaal moet vragen. Bij de eerste regel vonken haar ogen en krijgt haar huid zowaar wat kleur. ‘Ach,’ zegt ze, ‘nou wordt-ie helemaal mooi.’ Ze schiet overeind en zonder rollator komt ze op mij af. ‘Het is toch erg, hè, vergeet ik daar mijn hele kind.’
Ik ben jarig. Achtenveertig.

Mag het ietsje meer zijn?

Ze is nooit groot geweest, mijn moeder, en zwaar evenmin. Maar de jaren hebben haar, hand in hand met een aantal fysieke ongemakken, nog kleiner, krommer en lichter gemaakt dan zij al was.
‘Vijfendertig komma zes,’ zei ze gisteren, ‘en ik eet toch goed.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Natuurlijk is er altijd wel iets dat je niet zo lekker vind, maar dat heb je overal.’
Ik knikte.
We keken naar buiten, naar een verpleegster die waarschijnlijk meer dan drie keer zo zwaar was als zij.
‘Nee, het eten is hier goed,’ besloot ze.
Toen ik terug naar huis fietste vroeg ik mij af hoe zwaar mijn moeder werkelijk was. Ik bedoel: hoeveel van die vijfendertig kilo zou ik werkelijk ‘mijn moeder’ willen noemen? In haar skelet van een kilootje of veertien zou ik haar nooit herkennen. Ik begrijp trouwens niet waar die overige twintig zouden moeten zitten, maar dat terzijde.
Nee, haar hersenen, die een à anderhalve kilo zenuwcellen, laten we die apart leggen en met het etiket  ‘mijn moeder’ tooien. Wat wil ik nog meer bewaren? De kromming van haar neus, zeker. Het pukkeltje schuin onder haar linker oor ook, evenals dat tussen mond en neus, dat sommigen van ons van haar geërfd hebben. Het eelt op haar voeten en haar vekalkte nagels neem ik ook mee. Niet omdat ze mij zo dierbaar zijn, maar wel omdat ze bij haar horen. Datzelfde geldt voor de bijna liploze mond die nooit lippenstift heeft gekend en haar ogen, die met de jaren bleker en bleker zijn geworden, alsof het batterijtje dat ze brandend houdt bijna op is. Dat, en haar handen, of haar vingers liever. Haar lange, magere vingers, die nog steeds op dezelfde manier als veertig jaar geleden een koekje vasthouden of een afmeting aanduiden, alsof zij niet in de gaten hebben dat alles om hen heen veranderd is.
Dat is het wel zo’n beetje. Nog geen twee kilo, denk ik.
Een etensbord vol. Meer is het niet.