Beeldrijm 13: Jaartelling

Ze zat op de rand van haar bed, mijn moeder, de handen gevouwen in haar schoot. Ze leek zich mijn aanwezigheid niet bewust, staarde door het raam naar buiten, naar de plantenbakken op haar balkon, glimlachte en zei: ‘Wat een vreemd idee dat ik de viooltjes niet meer zal zien bloeien.’

Ergens vindt er een omslagpunt plaats, een omslagpunt in meten. Waar het referentiepunt van dat wat je nog mee zult maken, verandert in dat wat je niet meer meemaakt.

Het was ergens in de tweede helft van de jaren zestig, dat ik mij als kind realiseerde dat ik het mythische jaar tweeduizend zou meemaken. Negenendertig zou ik zijn, dat was te doen.

Een tiental jaren later kwam het besef dat ik het overlijden zou meemaken van de sporthelden van mijn tijd: Johan Cruijff, Ard Schenk, Eddy Merckx. Een vreemd idee was dat.

Tegenwoordig sla ik soms aan het rekenen. Om te kijken hoe oud ik mijn zoon ga zien worden. Vijftig moet ik wel halen, maar ook niet veel meer dan dat. Een nu nog ongeboren kleinkind zie ik twintig worden, vijfentwintig misschien. Een achterkleinkind, dat wordt krap.

Ze zat op de rand van haar bed, ja, de handen gevouwen in haar schoot. De zon scheen naar binnen en stoffijne deeltjes dwarrelden door de kamer. Er lag een bijna meisjesachtige lichtheid over haar. Ze schommelde nog net niet met haar benen.

Misschien zien we vlak voor de eindstreep alles weer in de juiste proporties.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Advertenties

Beeldrijm 12: Girl without a cause

DSCF1264_pe-1600

Ze herinnerde zich de eerste keer dat ze het kindje voelde bewegen in haar buik nog goed.
‘Is dat normaal?’ vroeg ze haar vriend. ‘Is het normaal dat het nu al beweegt in mijn buik, is dat niet te vroeg?’
‘Ik heb geen idee,’ antwoordde hij.

De verloskundige stelde haar gerust en zei dat het heel normaal was, niet te vroeg en niet te laat. ‘Je blaakt van gezondheid,’ zei ze en zette haar bril weer af, een rood ding was het, met halve glaasjes, dat ze aan een koordje om haar nek droeg.

Ze herinnerde zich die dag nog goed. het was een mooie dag, ze waren naar Amsterdam gegaan. Ze voelde zich altijd klein worden als die vrouw haar over haar bril heen aankeek. Klein en dom. Alsof ze weer op school zat. Het was een mooie dag, ja, de zon scheen, een staartje van de zomer. Haar vriend zei: ‘Zullen we naar Amsterdam.’ Ze haalde haar schouders op en zei: ‘Goed.’

Ze voelde het kindje daarna elke dag. ‘Een wildebras,’ zei haar vriend, ‘dat heeft-e niet van mij.’ ‘Nee,’ zei ze dan, ‘dat heeft-ie niet van jou.’ Maar ze dacht stiekem dat het een meisje was.
Ze legde haar hand op haar buik om te voelen of het wakker was, of sliep, of bewoog in zijn slaap.
‘Het is een tic geworden,’ zei haar vriend, ‘je zit voortdurend aan je buik: laat het toch met rust.’
‘Je hebt gelijk,’ zei ze dan, ‘elke keer dat ik het wil doen zal ik op mijn handen gaan zitten, kijk: zo.’

Het was een mooie dag, ze liepen hand in hand door Amsterdam, keken in de etalages van de winkels, dronken koffie op een terras. Ze vroeg zich af of het normaal was dat ze zich dat allemaal zo precies herinnerde, alsof het gisteren was gebeurd. Maar er was geen vrouw meer met een rood brilletje aan wie ze dat kon vragen. Die haar gerust kon stellen en zei dat iedereen dat had.

Ze liepen langs het museum en keken naar de beelden in de tuin. Kinderen speelden bij een fontein, gilden, werden nat. Dat mag die van mij later niet, dacht ze, terwijl ze keek naar een beeld van een vrouw, een liggende vrouw met dikke benen, net als zij, en met een gat in haar buik. En net op dat moment voelde ze het kindje bewegen, voor het eerst. Ze legde haar hand op haar buik, wilde iets zeggen, maar had opeens zo’n droge mond. Ze legde zijn hand, die ze nog steeds vasthield, op haar buik. Hij boog zijn hoofd naar het hare. Hun brillen tikten tegen elkaar.

Het was een meisje geweest, ze wist het zeker, ook al had ze het niet gevraagd.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 9: Tativille

CESKY DAREK-1600

Een van mijn favoriete scènes uit de filmgeschiedenis zit aan het eind van Jacques Tati’s Les vacances de monsieur Hulot. Als na alles wat er is gebeurd bijna iedereen zich afkeert van de hoofdrolspeler, zit monsieur Hulot in zijn eentje op het strand. Een paar meter verderop speelt een groepje kinderen. Monsieur Hulot, Tati zelf, kijkt toe, pakt dan een handvol zand en gooit dat naar de kinderen. In een poging om met hen mee te doen, aansluiting te vinden, hun vriendschap te winnen. Zelden zo ontroerd door een paar seconden film.

In zijn volgende film, Mon oncle, zette Tati die kinderlijke onschuld tegenover een moderniteit die in zijn vorige film nog ontbrak. Het is een moderniteit die tot uiting komt in de steriliteit van het huis waar het neefje woont, de technische gadgets waar Hulot niet mee overweg kan, de kaalslag van oude stadswijken en het economisme van het leven.

In Playtime, die bijna tien jaar later zou verschijnen, lijkt die onschuld geheel verdwenen. De film toont ons een wereld vol bizarre techniek en kille architectuur. Een wereld vol mensenmassa’s, waarin iedereen druk bezig is met schijnbaar nutteloze handelingen en niemand meer oog voor en contact met de ander heeft.

Voor het creëren van deze wereld liet Tati in Joinville-le-Pont een complete, 16 vierkante kilometer grote stad bouwen. Inclusief vliegveld, snelweg, straten en flatgebouwen. Tativille werd de filmset genoemd. Er waren negentien maanden aan opnames, veertigduizend figuranten, speciaal ontwikkelde groothoeklenzen, extreem dure 70mm-breedbeeldfilm en twee jaar montage nodig om de film te maken. Toen Playtime uitkwam, was Tati failliet.

Later is Playtime wel Tati’s meesterwerk genoemd. Zo gaan die dingen. Ik weet niet of ik me daarin kan vinden. Playtime is geen comedy in de strikte zin van het woord. Het is een film zonder clou, zonder plot, zonder hoofdpersoon, ja zonder grap misschien zelfs wel. Het overstijgt niet alleen het genre, maar zelfs het medium. Het is geen film, het is een universum van absurdisme. Maar wat ik het meest mis, is die ontroering. Het kind uit zijn eerdere werk is verdwenen.

De wereld die Tati ons schetste, is niet de onze geworden. Gelukkig maar. Zoals altijd halen voorspellingen en extrapolaties, of zij nu utopisch of dystropisch zijn van aard, het niet bij de realiteit. Maar toch, denkt u eens in wat monsieur Hulot met een selfie stick had gedaan.

De foto zou daarom zomaar een still uit een van zijn films kunnen zijn. Het hoedje, het schortje, zijn gezichtsuitdrukking: de man op de voorgrond lijkt weggelopen uit een van Tati’s films. We zien hem thuiskomen, opgewacht door een rebbelende vrouw, bazig, boos, een uitbrander, hoon, zijn opgetrokken lip als stil protest als zij de kamer uit is, een troosteloze maaltijd, een helverlichte huiskamer, gefilmd vanaf de overkant van de straat.

Maar kijk ook naar het stelletje op de achtergrond, de achtergrond die bij Tati vaak belangrijker dan de voorgrond was. Kijk ze staan, poserend, met de selfie stick in de hand, hun tas een paar meter voor hen op de grond. Zie haar lach, haar hoofd op zijn schouder, haar hand onder zijn oksel door.

Wie gaan we volgen? De man of het stelletje? Tati zou beiden doen. Aanvankelijk meegaan met de een om de anderen later weer tegen te komen. Misschien overnacht het stelletje wel via Airbnb in een kamertje bij het echtpaar thuis.

Tativille is overal.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)