Schoonheid en gevaar

Joseph_Mallord_William_Turner_029

Vorige week met mijn broer naar Zwolle geweest. Om Turner te zien. In Zwolle en Enschede hebben Museum de Fundatie en Rijksmuseum Twenthe onder de naam Gevaar en schoonheid – Turner en de traditie van het sublieme een dubbeltentoonstelling georganiseerd met werk van Turner in combinatie met voorgangers en erfgenamen. Fijne tentoonstelling. Minder fijn museum. Doolhof van kleine kamers en kabinetten waarin het niet zo prettig kunst kijken is. En niet berekend op de toeschouwersaantallen die tentoonstellingen als deze tegenwoordig kenmerken.

Maar niettemin een fijne tentoonstelling. Hoe vaak krijg je de kans om het licht en water, wolken en nevel van Turner te zien? Zelden. Tenzij je naar Londen gaat. Moet ik snel weer eens doen, ja. Zag er ooit, halverwege de jaren 90, De Kooning en Turner, zij aan zij in de Tate. Mooi was dat. Ik ventileerde hier laatst al mijn opvatting dat schilderkunst over verf gaat, over kleur, licht en schaduw, over zien en over de schilderkunst zelf. En vanuit dat perspectief zag ik in Zwolle een duidelijke lijn van Rembrandt, naar Turner, naar De Kooning en, waarom niet, Rothko.

De tentoonstelling sprak van ‘het sublieme landschap, waarin gevaar en schoonheid samenkomen’, van ‘de grootsheid van de zee tegenover de nietigheid van de mens’. Het zal wel, maar ik geloof er niets van. Of beter gezegd, het interesseert me niet zo. Het is van secundair belang. Ik kijk liever. En zie dan de worsteling, de zoektocht, de twijfel en de roes van de overwinning, van de schilder op zijn doek.

Maar toch.

‘Het sublieme stelt het grote tegenover het kleine en het eeuwige tegenover het tijdelijke,’ aldus de catalogus. Ik moest daar later op de avond toch weer aan denken.

Het was op de terugweg naar huis, in de sneltram die mij naar Amstelveen bracht, dat er een meisje naast mij ging zitten. Ze zat nog maar net toen ze haar jas van haar armen en schouders liet glijden en een tasje opende op haar schoot. Er kwam een spiegeltje uit tevoorschijn en vervolgens een poederdoos. Ze monsterde zorgvuldig haar gezicht in het spiegeltje en bracht toen met het dons hier en daar een toets poeder aan op haar gezicht, poeder dat ze vervolgens met vlugge, korte streken van hetzelfde dons uitstreek over haar gezicht.

Wij zaten twee banken voor de glazen afscheidingswand bij de deuren van de sneltram en omdat daar een man met donkere jas achter stond, kon ik in het glas, als in een spiegel, elke handeling van het meisje volgen, zonder haar werkelijk aan te hoeven zien. Ademloos keek ik toe hoe ze een accent aanbracht op haar jukbeenderen en deze deed uitwaaieren over haar wang. Hoe ze haar wenkbrauwen aanzette, haar wimpers, haar lippen, met steeds weer andere doosjes, stiften, borsteltjes en andere instrumenten die ze opdiepte uit haar tasje. En steeds weer bracht zij na elke fase in het wordingsproces het spiegeltje dichter naar haar gezicht om met een kleine beweging van de top van haar pink of duim haar werk te perfectioneren.

Was zij knap? Ik weet het niet, maar ik denk het wel. Ik schatte haar een jaar of zeventien, maar haar pols- en handbewegingen waren veel ouder dan zij zelf was en verraadden een kennis en ervaring die al eeuwen geleden lijken te zijn vastgelegd in het geslacht vrouw.

Het duurde van metrohalte Overamstel tot Boelelaan. Toen haalde ze nog één keer haar handen door haar lange, donkerblonde haar, monsterde het effect en haalde daarna haar mobiel uit haar tas tevoorschijn, waarna ze alleen nog aandacht voor het apparaatje had.

Het was een wonderbaarlijk schouwspel wat zich zo vlak naast mij had voltrokken en waarvan ik getuige was geweest. Ik had een kunstenaar aan het werk gezien. Ik had het witte canvas onder zijn handen zien transformeren. Onder mijn ogen had zich een voorstelling op het doek geopenbaard die – ja waar kwam die eigenlijk vandaan? Uit haar geest, uit eeuwen kunst- en cultuurgeschiedenis? Maar het meest wonderlijke was wel dat kunstenaar en kunstwerk hier samenvielen, creator en creatie, schepper en schoonheid. Dat alles dacht ik, dat en de vraag wie de gelukkige was.

Een paar haltes verder kwam ik omhoog van mijn zitplaats. Ze schonk me een beleefd glimlachje en neeg opzij om mij door te laten. Ik stapte uit. Zij reed verder.

Het twijfelachtige verhaal gaat dat het laatste wat Turner op zijn sterfbed sprak de zin ‘The sun is God‘ is geweest. Tenzij ik tegen die tijd nog iets beters weet te verzinnen mag u vast voor mij noteren: ‘God is een meisje in de tram dat haar make-up bijwerkt.’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s