Beeldrijm 14: Bijna

LOST IN AMSTERDAM 114-1600

Goed. Laten we op deze eerste ochtend van de week maar eens meteen met hoge inzet beginnen: wat is schoonheid? Als u daar nu eens over nadenkt, schenk ik nog een keer koffie in.

Klaar? Een antwoord geformuleerd? Dan ga ik met uw welnemen eerst terug naar bovenstaande foto. We zien een regelmatige gevelwand die net voor het uiteinde van de foto ophoudt en de hoek omslaat. Daarmee tergt de foto(graaf) ons en maakt ons tegelijkertijd nieuwsgierig: ik heb het daar eerder in de Beeldrijm Krulhoek over gehad. Maar goed, een regelmatige gevelwand. Met aan weerszijden van de middelste van de drie zichtbare kolommen een tweetal mensen, waarin we, niet alleen door hun positie ten opzichte van de muur, geneigd zijn een symmetrie te zien.

Die gedachte wordt versterkt doordat het tweetal tweetallen in een bijna identieke pose staat en bijna dezelfde handeling uitvoert.

Bijna. Schrijft u dat woord even op. En het hierboven gebezigde ‘symmetrie’, als u dat nog niet had gedaan.

Bijna, ja, want net niet helemaal. Zo staan de twee meisjes rechts over een smartphone gebogen, terwijl de jongen links een boekje raadpleegt. En waar het tweede meisje aan de rechterzijde maar weinig interesse in haar partner met de smartphone lijkt te hebben en een enigszins geringschattende blik op het toestel werpt, daar lijkt de oudere vrouw links te smachten naar de informatie die de jongen uit het boekje opdiept. Haar ogen zien niets van de omgeving of zelfs maar van de jongen voor haar, maar vertoeven in de wereld die uit zijn woorden opdoemt. Terwijl de jongen juist zijn gezicht in een grimas trekt die vertwijfeling of onzekerheid lijkt uit te drukken.

De bijna-symmetrie gaat verder. Kijk bijvoorbeeld naar de tassen. Aan beide zijden één. Maar de linker is zwart en staat op de grond en de rechter is wit en wordt door het meisje in haar hand gehouden. Plus twee schoudertasjes, gelijkmatig verdeeld over beide kanten, maar de een is wit en de ander is zwart.

Wie zijn deze mensen, die hier in bijna-symmetrie gevangen zijn? Mijn gok zou zijn dat de vrouw links bij de meisjes rechts hoort. Het zijn toeristen, uit Frankrijk denk ik. Ze waren op zoek naar iets, een straat, een winkel, een toeristische attractie, en terwijl het meisje rechts de informatie opzoekt op haar smartphone, stapt de moeder, old skool, met papieren gidsje op een jongen af. De jongen leest de betreffende alinea in het boekje en denkt na over hoe hij het drietal de weg moet wijzen. Hij zoekt naar woorden in zijn middelbare school vocabulaire, twijfelt over de verbuiging van het werkwoord aller.

Maar goed, over schoonheid gingen wij het hebben. Laat ik de maandagochtend afsluiten met de stelling dat dit het nu precies is wat schoonheid is: bijna-symmetrie. Of iets ruimer: orde die wordt geschapen en tegelijkertijd weer wordt verstoord. Ontregeld. Aan het wankelen wordt gebracht.

Schoonheid is een antwoord dat eindigt met een vraagteken. En dat is niet alleen het hoogste goed wat beschaving en cultuur kan voortbrengen, maar ook de noodzakelijke voorwaarde voor haar. De sine qua non.

Goed. Als u daar de rest van de week over nadenkt, dan schenk ik intussen nog een keer koffie in.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Advertenties

Schoonheid en gevaar

Joseph_Mallord_William_Turner_029

Vorige week met mijn broer naar Zwolle geweest. Om Turner te zien. In Zwolle en Enschede hebben Museum de Fundatie en Rijksmuseum Twenthe onder de naam Gevaar en schoonheid – Turner en de traditie van het sublieme een dubbeltentoonstelling georganiseerd met werk van Turner in combinatie met voorgangers en erfgenamen. Fijne tentoonstelling. Minder fijn museum. Doolhof van kleine kamers en kabinetten waarin het niet zo prettig kunst kijken is. En niet berekend op de toeschouwersaantallen die tentoonstellingen als deze tegenwoordig kenmerken.

Maar niettemin een fijne tentoonstelling. Hoe vaak krijg je de kans om het licht en water, wolken en nevel van Turner te zien? Zelden. Tenzij je naar Londen gaat. Moet ik snel weer eens doen, ja. Zag er ooit, halverwege de jaren 90, De Kooning en Turner, zij aan zij in de Tate. Mooi was dat. Ik ventileerde hier laatst al mijn opvatting dat schilderkunst over verf gaat, over kleur, licht en schaduw, over zien en over de schilderkunst zelf. En vanuit dat perspectief zag ik in Zwolle een duidelijke lijn van Rembrandt, naar Turner, naar De Kooning en, waarom niet, Rothko.

De tentoonstelling sprak van ‘het sublieme landschap, waarin gevaar en schoonheid samenkomen’, van ‘de grootsheid van de zee tegenover de nietigheid van de mens’. Het zal wel, maar ik geloof er niets van. Of beter gezegd, het interesseert me niet zo. Het is van secundair belang. Ik kijk liever. En zie dan de worsteling, de zoektocht, de twijfel en de roes van de overwinning, van de schilder op zijn doek.

Maar toch.

‘Het sublieme stelt het grote tegenover het kleine en het eeuwige tegenover het tijdelijke,’ aldus de catalogus. Ik moest daar later op de avond toch weer aan denken.

Het was op de terugweg naar huis, in de sneltram die mij naar Amstelveen bracht, dat er een meisje naast mij ging zitten. Ze zat nog maar net toen ze haar jas van haar armen en schouders liet glijden en een tasje opende op haar schoot. Er kwam een spiegeltje uit tevoorschijn en vervolgens een poederdoos. Ze monsterde zorgvuldig haar gezicht in het spiegeltje en bracht toen met het dons hier en daar een toets poeder aan op haar gezicht, poeder dat ze vervolgens met vlugge, korte streken van hetzelfde dons uitstreek over haar gezicht.

Wij zaten twee banken voor de glazen afscheidingswand bij de deuren van de sneltram en omdat daar een man met donkere jas achter stond, kon ik in het glas, als in een spiegel, elke handeling van het meisje volgen, zonder haar werkelijk aan te hoeven zien. Ademloos keek ik toe hoe ze een accent aanbracht op haar jukbeenderen en deze deed uitwaaieren over haar wang. Hoe ze haar wenkbrauwen aanzette, haar wimpers, haar lippen, met steeds weer andere doosjes, stiften, borsteltjes en andere instrumenten die ze opdiepte uit haar tasje. En steeds weer bracht zij na elke fase in het wordingsproces het spiegeltje dichter naar haar gezicht om met een kleine beweging van de top van haar pink of duim haar werk te perfectioneren.

Was zij knap? Ik weet het niet, maar ik denk het wel. Ik schatte haar een jaar of zeventien, maar haar pols- en handbewegingen waren veel ouder dan zij zelf was en verraadden een kennis en ervaring die al eeuwen geleden lijken te zijn vastgelegd in het geslacht vrouw.

Het duurde van metrohalte Overamstel tot Boelelaan. Toen haalde ze nog één keer haar handen door haar lange, donkerblonde haar, monsterde het effect en haalde daarna haar mobiel uit haar tas tevoorschijn, waarna ze alleen nog aandacht voor het apparaatje had.

Het was een wonderbaarlijk schouwspel wat zich zo vlak naast mij had voltrokken en waarvan ik getuige was geweest. Ik had een kunstenaar aan het werk gezien. Ik had het witte canvas onder zijn handen zien transformeren. Onder mijn ogen had zich een voorstelling op het doek geopenbaard die – ja waar kwam die eigenlijk vandaan? Uit haar geest, uit eeuwen kunst- en cultuurgeschiedenis? Maar het meest wonderlijke was wel dat kunstenaar en kunstwerk hier samenvielen, creator en creatie, schepper en schoonheid. Dat alles dacht ik, dat en de vraag wie de gelukkige was.

Een paar haltes verder kwam ik omhoog van mijn zitplaats. Ze schonk me een beleefd glimlachje en neeg opzij om mij door te laten. Ik stapte uit. Zij reed verder.

Het twijfelachtige verhaal gaat dat het laatste wat Turner op zijn sterfbed sprak de zin ‘The sun is God‘ is geweest. Tenzij ik tegen die tijd nog iets beters weet te verzinnen mag u vast voor mij noteren: ‘God is een meisje in de tram dat haar make-up bijwerkt.’

De schoonheid van imperfectie

Het was toen ik laatst de film A good woman op televisie zag. Op een doordeweekse avond. Bij de BBC of de BRT, dat weet ik niet meer. De film zelf stelde niet zoveel voor. Het decor van het Italiaanse Amalfi was mooi, de oneliners van Oscar Wilde, op wiens Lady Windermere’s fan de film was gebaseerd, waren witty, maar kijken naar de film (en blijven kijken) deed ik toch vooral vanwege de aanwezigheid van Scarlett Johansson daarin.
Misschien kwam het wel juist doordat de film zo weinig bijzonder was en kabbelend voorbij trok. Misschien wel juist doordat er zo weinig te zien was, zag ik waar de schoonheid van Scarlett Johansson ‘m nu precies in zit.
Laat ik u verklappen dat die in haar neus zit. Die is goed beschouwd te groot. En te bollig aan het uiteinde.
Maar het is juist die onvolmaaktheid die ontroert, kwetsbaar maakt en mooi.
In mijn ogen dan.

johansson.jpg