Beeldrijm 8: Zwart-wit

WASBOY 2-2000

De herinnering van een knijper tussen vrouwenlippen kan mij weemoedig stemmen – maar wat kan dat niet. Een lijn met wasgoed, een mouwloos huishoudschort met bloemenmotief, mijn moeder die met ketels kokend water sjouwt. Haar driftige bewegingen boven het wasbord, de opgestroopte mouwen, de gefluisterde belofte van zomerwarmte. De damp die opstijgt uit de tobbe en de geur van zeep die niet alleen uit het water lijkt te komen, maar ook uit het gras, de bomen, de zon, de wolken, de hemel, ja uit de wereld zelf. En de zachte, tedere kus van wasgoed op een zomerochtend. De frisse liefkozing van nat textiel dat zich als een tweede huid tegen je wangen vlijt.

Een man met zwarte hoed en cape kan mij schrik aanjagen – maar wat kan dat niet. Ik zag mijn schaduwman voor het eerst in een televisieprogramma uit mijn vroege kinderjaren. Gehuld in zwarte cape en broek liep hij over een bosweggetje, een kijkdoos onder zijn arm. Zijn gezicht ging schuil in de schaduw van zijn hoed. Plotseling kwamen er kinderen tevoorschijn – maar waarvandaan? Ze verdrongen zich voor de gaten in zijn kijkdoos en gingen met hem mee – maar waarnaartoe? Het was een onschuldig kinderprogramma, waarin een aantal poppen brave, trage avonturen beleefde. Marskramer. Kinderlokker. Rattenvanger van Hamelen. Schaduwman. Ik was bang voor hem – en ben dat nog steeds. De man in het zwart. Zonder gezicht.

De idylle en de nachtmerrie. Het zoet van de herinnering en het genot van het krabben aan het korstje op de wond.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

 

Advertenties

Beeldrijm 5: Het geheugen als pop-up museum

UIT

Een miezerig straaltje, dat was alles wat er voor ons op de eerste verdieping overbleef van het daglicht dat door het dakraam naar binnen viel en op zijn weg naar beneden veel van zijn intensiteit verloor. In dat clair-obscur van het trappenhuis bespraken onze moeders hangend over de trapleuning de dingen van de dag. Met mijn hoofd tegen de spijlen keek ik omhoog, waar onze bovenburen zich als donkere silhouetjes aftekenden tegen de rechthoek zonlicht in het dak.

‘Fwie-huu.’ Het tweetonige fluitje waarmee mijn moeder haar buurvrouw roept. En mij. Nu. ‘Joe-hoe,’ antwoorden zij en ik. ‘Kof-fie.’ ‘Ik-kom-er-aan.’ Bes-G. Bes-Bes-G. Octaaf en kleine terts. Ik hoor hen rebbelen, kwetteren, kwinkeleren. Meerstemmige sprechgesänge zijn het, madrigalen, melodieën die omhoog cirkelen, om elkaar heen fladderen, in duikvlucht langs de treden scheren en hoger en hoger opstijgen in het licht, dat als een jakobsladder door het dakraam valt.

Als ik de trap beklim, stijg ik vanuit de schemering op naar de zon. Met elke etage en elke wenteling van de trap strekt zijn schijnsel zich steeds verder uit, tot het tenslotte op de zolderverdieping tot in de verste hoeken en kieren stroomt en ik tot mijn enkels door het zonlicht waad. Achter een van de deuren op die droomverlichte zolderetage houdt een buurman zijn kanaries. Soms mag ik daar kijken, achter die deur, waarachter gezang opklinkt dat op dat van onze moeders lijkt. Klein, gaaf en rond liggen de eitjes in de nestjes. Maar als ze breken kruipen er kale monstertjes uit, nat en plakkerig, de ogen dicht, de snavel veel te groot. Ze duwen elkaar opzij, vertrappen elkaar, strekken hun magere nekjes en sperren hun snaveltjes wijd open, om maar zo snel en zo veel mogelijk voedsel naar binnen te krijgen, ten koste van de ander als het moet. Doodsangst drukken ze uit en dood moeten ze, vind ik – en het wonder van dat zolderkamertje is dat uit zo’n nachtmerriegedrocht een zacht, pastelkleurig zangvogeltje groeit.

Vanuit het kamertje is het nog maar één stap verder naar het platte dak van het pand, waar onze vaders met trage slagen bouten losdraaien, antennes als woudreuzen van hun sokkel lichten. Hier geen gezang maar geblazen hoorns, kreten, aanwijzingen, schorre kelen, schuurpapieren wangen, eelt. Van hun handen gaat mijn blik voorbij de rand van het huizenblok, naar de toppen van de bomen die uit de straten en tuinen omhoog steken, als groene eilanden uit de golven, en nog verder, waar de zon ontelbare pannetjes, dakgoten en zolderramen laat glimmen en schitteren, en uit die zee van platte en schuine daken rijst een woud van antennes op, als de masten van een vloot. De benen wijd, de voeten schrap, laat mijn vader de antenne aan een touw over de dakrand zakken. Langzaam gaat het touw door zijn vingers, een anker, een net vol vissen, en vanuit diepten onder ons klinkt, o wonder, de stem van mijn moeder: ‘rechts, links, zakken, ho!’

Het geheugen is een pop-up museum. Waarin een jongetje zich verstopt. Met een rugzak aan een stok.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Zie ook de vorige afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 2: Mijn broer

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Mijn broer is groot. Groter dan ik. Niet in centimeters, maar hij is een eeuwigheid voor mij geboren. Een eeuwigheid die later zes jaar bleek te beslaan.

We lopen over een grasdijk rond de Katwouder polder. Een wandeling met een strenge vlakverdeling en een primair palet. Links van ons het water, rechts het land. Het gras is groen, water en hemel zijn blauw en het verdorde riet heeft de kleur van mijn broers haar: grijswit.
‘Gans,’ zegt hij en wijst op een groen rolletje drop voor onze voeten.
Vroeger had hij het haar van Johan Cruyff. Zijn snelheid en techniek jammer genoeg niet.

Competitie speelde een grote rol in de kinderjaren die wij samen deelden. Ik probeerde hem te overtreffen, reikte naar zijn hoogte, klom in zijn takken, omhoog naar meer. Hij liet het zich aanleunen.
Dat was de rolverdeling.

In lengte ben ik hem inmiddels voorbijgestreefd. In omvang niet. In omvang is hij nog steeds groter dan ik. Op een moment in ons leven dat wij dat nodig hadden hingen wij een aantal seconden tegen elkaar aan. Dat voelde lekker. Als een machtige, zachte boom.

Onderaan de zeedijk liggen kleine plassen. Een ‘waal’ weet hij. In het water staan bordjes met daarop het jaartal van de overstroming waardoor zij zijn ontstaan: Anno 1625, 1687, 1825 en 1916. Even verderop wijs ik op een modderplasje achtergelaten door de regen.
‘Anno 2015,’ zeg ik.
Hij lacht.

Competitie zijn wij al lang voorbij. Tegenwoordig verlang ik ernaar terug om in de schaduw van die zes en een half jaar te vertoeven. Zes en een half jaar ouder, wijzer, beter en sterker.

Lang geleden wandelden wij eens samen door een bos. We kwamen door een beukenlaan en bleven staan om de verstilde elegantie van die oude bomen te bewonderen. Met ontzag keken we naar de lange takken en ik sprak mijn verbazing uit over het feit dat die niet afbraken.
‘Zo’n verbinding kunnen wij niet maken,’ zei hij.

Fijne opmerking vond ik dat. Een echte. Een echte Grote Broer Opmerking. Ik onthield hem en verstopte de zin jaren later als een kostbaar kleinood in mijn eerste roman.
Een cadeautje.
Voor hem. Voor mij. Voor de kinderen die wij ooit waren.

(Dit is de tweede in een reeks van dubbele een-tweetjes tussen fotograaf Ray van Schaffelaar en schrijver René Snoek die onder de titel ‘Beeldrijm’ worden gepubliceerd)

Beeldrijm 1: Het lampje van Hitchcock

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

‘Alles wat mij rest van mijn jeugd is de zomer.’ Of woorden van gelijke strekking. De zin, of een die erop lijkt, moet komen uit de roman Il diavolo sulle colline van Cesare Pavese. Tenminste, ik denk al dertig jaar hem daar ooit gelezen te hebben. Teruggevonden heb ik hem echter nooit.

Hoe de zin ook precies luidt en waar ik hem ook ooit ben tegengekomen, de betekenis treft mij nog steeds. Er is inderdaad niets dat de ervaring van de kinderjaren zo weet op te roepen als een zomerdag. Er zijn meer dingen die de deur openen naar het verleden, zoals een plaats uit de kindertijd die je na jaren weer bezoekt, een oude foto, een liedje of tv-programma van lang geleden, een smaak of geur die verbonden is aan het verleden, maar het grote verschil is dat het bij deze dingen gaat om een herinnering, een gevoel van nostalgie, een herbeleven met het ene been in de tegenwoordige tijd en een ander in het verleden, waarbij vooral het grote gat dat ertussen zit en slechts schijnbaar overbrugd wordt, zich doet voelen.

Bij de zomer is dat anders. Het gaat hier niet om het herinneren, om een meta-ervaring, maar om een zintuiglijke ervaring die dezelfde is als de oorspronkelijke. Een fysieke en mentale gesteldheid, waarbij het onderscheid tussen lichaam en geest is verdwenen en een voetzool een gedachte kan ontwikkelen en hersenen een hoopje zand van de ene naar de andere kant kunnen schuiven. Het is een mentale staat die aan de ene zijde objectvrije meditatie als buur heeft en aan de andere zijde zoete verveling. Een bewustzijnstoestand waarin waarnemen, denken, voelen en willen één zijn geworden. Waarin de tijd zo stroperig is geworden dat hij stil lijkt staan. En waarin je niets en alles ziet, hoort, voelt en weet.

Het zit hem natuurlijk in het licht, de warmte, in een blauwe hemel met witte wolken. In schurende zandkorrels, kriebelende grassprietjes, kabbelend water, ritselende bladeren, fluisterende bomen, in dansende vlekjes zonlicht op een arm. Aanmaaklimonade mag door wijn zijn vervangen, een bladerkroon door een parasol, een Caraco ijsje door prosciutto en olijf, het is dezelfde, eeuwig wederkerende zomerdag.

Il diavolo sulle colline.

Ik herinner me een vakantie in Italië waarin elke dag werd afgesloten door een kudde schapen die in de avondschemering onder ons op de heuvel door een jongen met een bos wilde haren en ontbloot bovenlijf naar hun stal wordt gedreven. Hij gooit stenen naar de beesten en schreeuwt ze commando’s en verwensingen toe die ik niet versta, maar de schapen wel. Na korte tijd worden zij opgeslokt door de schaduwen op de heuvel en hoor ik alleen nog de bellen van de schapen klingelen, terwijl boven de oprijlaan van de fattoria vuurvliegjes dansen. ‘Alles wat mij rest van mijn jeugd is de zomer.’

In Alfred Hitchcock’s Suspicion brengt Cary Grant zijn vrouw Joan Fontaine een glas melk, waarvan zij vermoedt dat hij er gif in heeft gedaan. Om onze aandacht naar dit glas te trekken en te voelen wat de echtgenote voelt, liet Hitchcock een lampje in het glas aanbrengen. Het is prachtig en het werkt, kijkt u er de scène maar op na.

Maar de zomer heeft geen kunststukje nodig. Zonlicht in een plastic bekertje, meer hoeft het niet te zijn.

(Deze post is de eerste in een reeks van dubbele een-tweetjes tussen fotograaf Ray van Schaffelaar en schrijver René Snoek die onder de titel ‘Beeldrijm’ worden gepubliceerd.)

La Partita del Secolo

Tot een aantal jaren terug, toen ik nog niet aan de schoolvakanties was gebonden, kwam het vaak voor dat ik tijdens een EK of WK niet in Nederland was. Juni is een mooie maand om weg te gaan. Zeker als een naar psychose neigende toestand zich meester heeft gemaakt van ons land. Nu moet u niet denken dat ik niet van voetbal houd. Dat doe ik wel. Sterker nog, ik ben verslingerd aan het spelletje en als men mij vraagt wat ik wil worden als ik later groot ben, dan luidt mijn antwoord nog altijd ‘profvoetballer’, al wordt die vraag mij hoe langer hoe minder gesteld.
Het is niet alleen de gekte die tijdens een eindtoernooi bezit van ons land neemt die mij wegjaagt. Hoewel ik moet toegeven dat een zekere distantie geen kwaad kan, is het toch meer zo dat het toernooi in Nederland zo wordt overschaduwd door het wel en wee van Oranje, dat daarmee het zicht op de wedstrijden en het genieten van het voetbal je ontnomen wordt.

>lees verder