Beeldrijm 19: Same player shoots again

beeldrijm 19-1600

Op zomerse dagen is Nescio nooit ver weg. Net zomin als mijn jeugd.

Dagen vol trage ledigheid, waarop plannen voorbij gleden, als de wolken aan de hemel. Vol van julilicht, de geur van gras en houten huisjes die ’s ochtends krakend ontwaakten. Het voetbalveld, waarop een shirtje hangend in het doelnet werd vergeten. En bleef hangen, naast de dromen die daar later achterbleven. Hoewel een van ons het tot Haarlem, FC Amsterdam en SC Amersfoort schopte, clubs die inmiddels uit de schemer van het profvoetbal zijn weggegleden.

Ik hoor zijn stem als hij bij de flipperkast de zin uitspreekt die daar rinkelend en schitterend verschijnt: ‘Same player shoots again.’ Het schokken van zijn heupen, ratelen van zijn vingers. En de lispelende klanken waarin een helder schijnende toekomst zich leek aan te dienen.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Advertenties

Beeldrijm 18: De drie gratiën

A rose is a rose is een vrouw is een foto.

Gaat elke foto over sterfelijkheid? In zekere zin wel. Het beeld legt die ene fractie van een seconde vast van dat leven, of die levens, die daarna buiten het oog van de fotograaf hun gang weer gingen. Maar sommige foto’s gaan zelfs in dat ene beeld, in die handvol milliseconden, over sterfelijkheid. Over vergankelijkheid. Of over verwelken, zo u wilt.

Zoals deze.

De blik van de fotograaf is genadeloos en wreed. Het haar dat dunner wordt, de huid die slobbert rond de armen. De houding en de blik, die van zelfbewust naar bang naar berustend gaan. En de rozen.

De rozen die nu nog bloeien, maar niet lang meer. Aan de buitenste blaadjes van de bloem kondigt het verwelken zich reeds aan. Het mooiste is er al vanaf.

En het aller wreedste is de vergelijking die zich opdringt met die drie vrouwen uit de Griekse mythologie en de klassieke kunst. Die voor Schoonheid, Vreugde en Voorspoed stonden. Maar wat weggelegd is voor de goden is dat niet voor de mens. Of Quod licet Iovi non licet bovi, zoals mijn leraar Latijn altijd zei.

Wij moeten het doen met een little black dress van vorig jaar.

En een bosje bloemen op zijn tijd.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 17: Glimlichtjes

dscf7993-1600

Soms moet je de ogen sluiten, om de dingen goed te zien.

Misschien is elke foto wel een zwart doek waarin gaatjes zijn geprikt. En zitten er in het ene doek gewoon meer gaatjes dan in het andere. Een patroon van gaatjes waar het licht als in een verduisterde kamer door naar binnen schijnt.

Net zoals we op de lagere school een vel papier beschilderden met kleurige vlakken en vegen, waarna we er, als de verf was opgedroogd, met wasco een zwarte laag over aanbrachten. Met de achterkant van een penseel krasten we daarna lijnen en vormen in het zwarte waskrijt, figuurtjes die wonderlijk oplichtten in het zwart dat hen omgaf.

Wat is het dat ik zie, in die verduisterde kamer. Een zwarte kraag, versierd met wit borduursel? Fluweel, velours, pluche? Of is het een speldenkussen? Parelknopjes? De noppen van een gecapitonneerde bank?

Het patroon van glimlichtjes vormt een schrift dat ik alleen kan ontcijferen als ik mijn ogen sluit. De foto lees met de vingertoppen van mijn hand.

Ik voel een knopje dat onder mijn vingertop beweegt. Borduursel, knoopje, lichtknopje, bolletje stof. Ik moet er aan zitten. Dat moet. Eén keer met de wijsvinger van mijn linkerhand en één keer met mijn rechter. En daarna met de pink, ring- en wijsvinger en hetzelfde rijtje andersom terug. Eerst met de linker- en dan met de rechterhand. Om het onheil te bezweren. Dat moet.

Net als aan het pukkeltje op mijn rechterbeen. Net zo lang en net zo vaak tot het open gaat. Tot ik een gaatje in het oppervlak kras. En dat wonderlijk kleurige, fel oplichtende bloed vanachter de huid naar buiten vloeit.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

 

Beeldrijm 16: De wangen van Aaron Krickstein

beeldrijm 16

De wangen van Aaron Krickstein. Paardenbloemen. Papieren vliegtuigjes. Een zomernamiddag.

Maar misschien ga ik te snel.

Laten we een stap terug doen en het eerst over ontspanning hebben. De ontspanning die, zo horen en lezen we altijd, onontbeerlijk voor snelheid is. De ontspanning op het gelaat van Dafne Schippers, als zij haar snelheid weet te behouden waar anderen die verliezen in verkramping. Mooie paradox is dat. Ontspanning die voor snelheid zorgt.

Maar Aaron Krickstein dus. Tennisser uit de jaren tachtig en negentig. Met 16 jaar en 2 maanden nog altijd de jongste winnaar op de ATP Tour ooit. Maar ik herinner mij hem vooral vanwege zijn wangen. Hij had zich aangeleerd om uit te ademen bij elke slag om zo de ontspanning in zijn lichaam, en dan met name in zijn arm, te houden. Hij deed dat met bolle wangen. Alsof hij de pluisjes van een paardenbloem de lucht in blies. Mooi was dat.

Of als u dat beeld niet direct op YouTube kunt vinden, de handjes van Dennis Bergkamp. Als hij het doelpunt tegen Argentinië scoort. U weet wel. Zijn handen. Volkomen ontspannen hangend uit het polsgewricht.

Daarom.

De wangen van Aaron Krickstein. Paardenbloemen. Papieren vliegtuigjes. Een zomernamiddag.

De snelheid van een associatieve gedachtegang is 100 meter per seconde.

Bij ontspanning.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)

Beeldrijm 15: Der Tod und das Mädchen

LOST IN AMSTERDAM 138-1600

Te mooi om waar te zijn. Die donkere mars naar het graf aan linkerzijde en het in licht getekende meisje daarnaast. En toch waar. Of niet?

Het is een vreemde relatie, die tussen feit en fictie. Zoals zovelen dacht ook ik ooit dat ik door te schrijven het verleden kon fixeren. Een monumentje kon oprichten. Het verleden kon bewaren, behoeden voor vergankelijkheid. Het tegendeel is waar. Het is ontegenzeggelijk waar dat fictie er beter uitziet als we het begiftigen met een ziel. De adem der levenden inblazen. Maar de keerzijde hiervan is dat wij het feit, de werkelijkheid, daarmee het leven ontnemen. De arme ziel. Met een bloedeloos wit gelaat ligt zij, de levende, de herinnering, in onze armen, de armen van een moordenaar.

De stoet der rouwenden aan linkerzijde. Het licht dat over haar wangen streelt.

Het is een veelvoorkomend thema in mythes en verhalen: de een doden om de ander tot leven te wekken. Het is een gevaarlijk wapen, de pen. Een moordwapen waarmee wij dat om het leven brengen wat ons het liefste is. Some do it with a bitter look. Some with a flattering word. The coward does it with a kiss.

Soms is de werkelijkheid te mooi om waar te laten zijn. De verleiding te groot om de pen te laten waar hij is. Maar gelooft u mij. Door van feit fictie te maken, sterft de herinnering. Als er al sprake van een monumentje is, dan heb ik van vlees en bloed steen gemaakt.

Alles wat ik heb geschreven ben ik kwijt.

 

(Een Beeldrijm begint met een foto van Ray van Schaffelaar, waarop een tekst van mij reageert. Klik hier voor alle afleveringen in de reeks.)