Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (14)

daan-van-golden

De eerste keer dat ik kennismaakte met het werk van Daan van Golden was in 1987. Amsterdam was dat jaar culturele hoofdstad van Europa en had ter gelegenheid daarvan de tentoonstelling Century 87 georganiseerd. Onder het motto ‘Kunst van nu ontmoet Amsterdams verleden’ werden stad en beeldende kunst op een dertigtal locaties bij elkaar gebracht. Ik ben 25, studeer psychologie en mijn lieve nichtje M. logeert bij mij. Samen met haar ga ik naar de Hortus waar Van Golden de paden bedekt heeft met een laag azuurblauwe kiezels. Aqua Azul, zo heet de installatie. Het is een prachtig effect, die hemelsblauwe paden die als rivieren door de groene tuin cirkelen. Ik maak er foto’s van, maar heb – heel artistiek – een zwart-wit rolletje in mijn camera.

In 1991 bezoek ik een overzichtstentoonstelling van zijn werk in het Stedelijk Museum. Ik houd ervan, al kan ik slecht uitleggen waarom. Van Golden is een conceptueel kunstenaar en tegelijkertijd een estheet: twee dingen die zelden samengaan. Soms streng, rigide en uiterst cerebraal. Op andere momenten lyrisch op het banale af. Maar altijd zichzelf.

Zijn faam stijgt en zijn naam kom ik steeds vaker tegen. In 1999 bijvoorbeeld, als hij Nederland vertegenwoordigt op de Biënnale van Venetië. Als mijn uitgever en ik in het najaar van 2002 een afbeelding zoeken voor de omslag van mijn eerste roman, herinner ik mij de serie foto’s die Van Golden door de jaren heen van zijn dochter nam en exposeerde onder de titel Youth is an art. Mijn redacteur gaat op pad en komt terug met een snapshot van een klein meisje naast een reusachtige boom. Diana, Laren 1979 heet het. We vragen hem toestemming om de foto te gebruiken en zeggen erbij dat we hem wel moeten spiegelen en om de rug heen laten lopen om hem passend te krijgen. Van Golden heeft geen bezwaar. Als het boek er is stuur ik hem een exemplaar en een bedankbriefje waarin ik hem tevens uitnodig voor de presentatie. Niet verrassend gaat hij daar niet op in.

Begin 2012 bezoek ik een tentoonstelling van zijn werk in De Hallen in Haarlem. Een overzicht van 50 jaar schilderen – en voor het eerst besef ik hoe oud hij al is. Of moet ik zeggen: ongemerkt is geworden.

Maandag is Daan van Golden overleden, hij was 80 jaar. M. is inmiddels 43, maar nog steeds mijn nichtje.

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (13)

Ik begon deze serie ooit, een paar jaar geleden, als een bescheiden galerij voor, nou ja, de titel zegt het al, de helden uit mijn jeugd en de tijd die sindsdien verstreken is. Maar het is diezelfde tijd die mij heeft ingehaald en een loer heeft gedraaid. Alsof hij op zijn strepen is gaan staan en dacht ‘Allemaal leuk en aardig, zo’n memento, maar er kan er maar een de baas zijn en dat ben ik’. Ik kan dat alleen maar onderschrijven.

De selectie video’s waarmee YouTube opent, getuigt nog steeds van de helden die dit jaar zijn overleden en waarvan ik de afgelopen maanden keer op keer de filmbeelden bekeek. David Bowie, Ettore Scola, Johan Cruijff, Prince, Muhammad Ali. En ik hoorde diezelfde Tijd, of God, of wie u ook maar wilt, zachtjes neuriën Anything you can do, I can do better. I can do anything better than you. Het duurde daardoor even voordat ik weer de moed en de zin had om een nieuw portretje aan mijn galerij toe te voegen, maar uiteindelijk toch maar hamer en lijstje gepakt en zachtjes een nagel in de muur getikt.

Patti SmithHet is ongeveer een jaar geleden, iets eerder in juni, dat ik in La Spezia was, het stadje tussen Genua en Pisa, aan de Golfo dei Poeti. Tot mijn verbazing hingen er affiches aan de muren van de stad met daarop de hoes van het album Horses van Patti Smith. Het is een beroemde foto, gemaakt door Robert Mapplethorpe, waarop de zangeres, muzikante, dichteres, in een wit overhemd en zwarte broek staat afgebeeld, een zwart jasje losjes over haar schouder. In een brutale, androgyne pose, die haar zelfs een zekere schoonheid verleent, terwijl je alles van haar kunt zeggen, maar mooi was zij niet, Patti Smith.

Hij is genomen in 1975 en vormde de cover van het album waarmee zij in datzelfde jaar debuteerde. Later in die vakantie las ik dat op het affiche een concert van haar werd aangekondigd, op 31 juli, waarbij zij haar debuutalbum live ten gehore zou brengen. Weer later, thuis inmiddels, leerde ik dat zij een 40th anniversary world tour deed, ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van het album.

Patti Smith. Het was G. die mij met haar liet kennismaken. Die haar albums draaide en mij de hoes liet zien. Op die talloze avonden en zondagochtenden dat hij het ene na het andere prachtnummer uit de luidsprekers deed schallen. Soms denk ik wel eens dat ik alle muziek door hem heb leren kennen, als in een soort education musicale die ooit begon en voortduurt tot op de dag van vandaag.

Ze trouwde in 1980 met Fred ‘Sonic’ Smith. Ze kregen een zoon, Jackson, en een dochter, Jesse. Ze maakte een aantal albums, met steeds grotere tussenpozen, en langzaam maar zeker werd het stil rond haar. Maar er is een kleine herwaardering van haar werk gaande, dat wat mij betreft niet groots was, maar wel dierbaar. Haar autobiografische boeken Just kids en M-train werden in vele talen vertaald, waaronder het Nederlands, zijn succesvol en leverden haar de National Book Award op. U2 gebruikte haar nummer People have the power vorig jaar in hun laatste wereldtournee als entrance music, waarbij het luidkeels werd meegezongen door het publiek, en in Londen en Parijs sloot Smith zich aan het eind van de show bij de groep aan om het nummer samen ten gehore te brengen.

In het filmpje hieronder geen track van Horses, maar het nummer Dancing barefoot, van het album Wave uit 1979. Niet uitgevoerd door Smith zelf, maar door First Aid Kit. Ten gehore gebracht bij de uitreiking van de Polar Music Award 2011 aan Patti Smith, een prestigieuze Zweedse muziekprijs die eerder onder andere is uitgereikt aan Cecilia Bartoli, Paul Simon, Yo Yo Ma, Steve Reich, Sonny Rollins en Valery Gergiev.

Maar het gaat me niet om het nummer, noch om de uitvoering. Nee, het gaat me om de traan van mevrouw Smith, te zien vanaf 2m49. Een traan die u misschien doet denken aan die van Maxima tijdens Adios Nonino, maar die mij veel meer ontroert. Het is het besef van De Dingen die Voorbij Gaan. En waarvan je soms de weerschijn ziet in een boek, een film, een liedje, een zoon, of twee zingende meisjes van een jaar of twintig.

Robert Mapplethorpe stierf, eeuwig jong, in 1989, Fred ‘Sonic’ Smith in 1994, Patti Smith wordt eind dit jaar 70. G. is 71.

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (12)

Het hupje. Daar wil ik het graag met u over hebben. Gisteravond ben ik namelijk met zoonlief naar U2 geweest. Cadeautje van hem aan mij. De schat.

Als Boy uitkomt in 1980 ben ik 18, net als Larry Mullen en The Edge, Bono en Adam Clayton zijn een jaar ouder. Ik mis hun concert in de Melkweg in oktober van dat jaar, maar laat mijn haar knippen door een Ierse jongen die hen kent uit Dublin. Jongens zijn we, maar aardige jongens. Al zeg ik het zelf.

Ik heb een vriend die gitaar speelt, wat zeg ik: die waanzinnig goed gitaar speelt. We pluizen elke noot die The Edge speelt uit en proberen zijn sound na te bootsen met de beperkte effect- en opnameapparatuur die we hebben. Als er toen toch internet en YouTube had bestaan. Zoekt u op YouTube maar eens op ‘dotted eighth note delay‘ en u zult begrijpen wat ik bedoel.

Ik vraag me af hoe lang David Evans het leuk is blijven vinden dat zijn jeugdvrienden hem ooit The Edge zijn gaan noemen. Als je mid twintig bent begint dat toch al een beetje kinderachtig te worden, denkt u niet. Zelf zul je hem er niet over horen. Horen doe je hem so wie so niet veel: dat laat hij aan Bono over. Hij weeft al 35 jaar zijn syncopische gitaarpatronen, bepaalt het groepsgeluid en laat in zijn achtergrondzang stiekem zien dat hij misschien wel een betere zanger dan Bono is.

En dan dat hupje. Coole jongens dansen niet. Die wiegen zachtjes op de maat van de muziek, met de ene hand rond de hals van een gitaar en de andere op de heup. Hij beheerst het tot in de perfectie, al is-ie iets strammer in de heupen dan vroeger wellicht. Het houdt het midden tussen het wiegen van een kind en het dansen van een bokser. De shuffle van David Evans, die voor mij verbonden is aan zijn gitaartechniek, waarvan wij op onze jongenskamers het geheim probeerden te ontrafelen.

Ik aanschouwde het gisteren voor het eerst zelf, live, met eigen ogen. Kijkt u onderstaand filmpje er maar op na, opgenomen tijdens dat fantastische concert in de Ziggo Dome . Het is een uitvoering van Out of control, een nummer van die eerste elpee uit 1980.

David Evans is nu 53, net als Larry Mullen en ik. Bono en Adam Clayton zijn een jaartje ouder. En mijn zoon, die is 20.

 

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (11)

Er zijn sporten waarbij de eisen van de discipline een bepaald menstype selecteren. Survival of the fittest. Evolutie op overzichtelijke schaal. Soms gaat dat mechanisme verder dan fysieke eigenschappen en lijken de succesvolle atleten ook op andere punten op elkaar.

Hoogspringen is daar misschien wel het mooiste voorbeeld van. De atleten die op dit onderdeel uitblinken hebben niet alleen het lange, slanke postuur met de extreem lange benen gemeen, maar ook het ietwat flegmatische karakter, de trage bewegingen en dromerige blik. Vooral in de jaren zeventig en tachtig leken de beoefenaars van deze discipline uit een en dezelfde familie te komen. Dietmar Mögenburg, Patrick Sjöberg, onze eigen Ruud Wielart, Dwight Stones. Mooie, lange, slanke jongens die met trage bewegingen het haar uit het gezicht streken en even traag over grote hoogten zweefden, om daarna in stille afzondering hun trainingsbroek weer over hun eindeloze benen te trekken.

Misschien was Dwight Stones wel de aartsvader van dit mensenras. Hij behoorde van 1972 tot 1984 tot de beste van de wereld, verbeterde driemaal het wereldrecord, deed driemaal mee aan de Olympische Spelen en hield daar twee bronzen medailles aan over.

Ergens in die periode zag ik hem op tv, ik schat dat het zo in het midden van de jaren zeventig is geweest. Natuurlijk had ik hem voordien al vaker gezien en kende ik zijn naam, faam en prestaties. Maar die avond in mijn ouderlijk huis in Amsterdam-West maakte hij een onuitwisbare indruk op de veertienjarige jongen die ik was. Dat kwam niet eens door zijn prestatie, maar door de kleding die hij aanhad. Hij droeg bij die wedstrijd namelijk niet het gebruikelijke shirtje met de naam van een sponsor, land of atletiekvereniging, maar een met een afbeelding van Mickey Mouse. ‘Cool’ was niet een woord dat wij al kenden of gebruikten, midden jaren zeventig, maar ik denk nu dat het wel precies die eigenschap was die ik bewonderde en met Dwight Stones en zijn Mickey Mouse shirt verbond.

Het korte fragment heeft destijds zo’n indruk op mij gemaakt dat ik in de jaren daarna niet alleen op zoek ben gegaan naar een shirt met Mickey Mouse, maar ook in de decennia die volgden dat beeld nooit uit mijn hoofd heb kunnen zetten. Waar ik als adolescent op zoek ging naar dat shirt, ging ik later als oudere man op het web op zoek naar dat fragment, dat beeld van die blonde hoogspringer met zijn lange benen en zijn bijzondere kledingkeuze. Heel lang leverde die zoektocht niets op. Ik vond informatie genoeg over Dwight Stones en evenzoveel foto’s en een aantal filmpjes. Maar niet die ene.

Tot vorige week. Toen ik, vraag me niet waarom, weer eens ‘Dwight Stones’ in het zoekveld van mijn browser typte en na doorklikken en doorklikken opeens op een klein fotootje stuitte. Het was geen t-shirt dat hij droeg, als op het beeld dat ik in mijn herinnering had bewaard, maar een mouwloos atletiekshirt. Maar wel een met Mickey Mouse.

De wondere wereld van het web, van de herinnering en van de ziel van een veertienjarige jongen uit Amsterdam-West. Overigens duurde het tot 1979, voordat ik mijn Mickey Mouse t-shirt vond. Dwight Stones is tegenwoordig 61 en commentator bij de atletiekwedstrijden voor Amerikaanse televisiestations. En ik, ik speur het web af naar schimmen uit het verleden.

Dwight StonesMickey Mouse

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (10)

Soms blijf ik ’s avonds nog wat hangen voor de tv en kom dan vanzelf bij de Tonight Show terecht. Zag daar laatst een optreden van Joey Badass en was diep onder de indruk. Hij werd begeleid door een DJ, een zanger met de naam BJ the Chicago Kid en door die fantastische huisband The Roots. Like me, heette het nummer.
Vertelde het de volgende dag tegen mijn zoon. Hij kende hem al. Volgt hem al twee jaar en is een groot fan. Ze zijn even oud, Joey en hij.
We keken samen naar een video van het optreden op YouTube.
‘Eigenlijk Old Skool,’ zei hij.
‘Daar houd ik wel van.’
‘Dat weet ik.’

Old Skool.
Het was in 1982. Oktober 1982. Het kraakpand Lucky Luyk, een Jugendstilpand in het Museumkwartier, was ontruimd. Of weer gekraakt. Of voor een tweede keer ontruimd. In ieder geval was het oorlog in Amsterdam. Pantservoertuigen reden door de straten van Zuid, er werd gegooid met stenen, rook- en benzinebommen, in de Van Baerlestraat ging lijn 10 in vlammen op en voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog kondigde een burgemeester de noodtoestand af.

Ik ging die avond met mijn vriendin B. naar een concert in de Flora, waar Palais Schaumburg optrad met Kurtis Blow in het voorprogramma.
Palais Schaumburg was een Duitse band rond kunststudenten Holger Hiller en Thomas Fehlmann. Ze hadden een indie hit met het nummer Wir bauen eine neue Stadt. Hoekige, springerige muziek was het. Dadaïstisch en kunstzinnig. Geënt op de Duitse expressionistische traditie van het interbellum. Art Farty? O ja, ongetwijfeld.
Kurtis Blow was de eerste rapper met een contract bij een groot label en had een hit gescoord met The Breaks, waarvan meer dan een half miljoen exemplaren waren verkocht.
Een vreemde line up, achteraf. Neue Deutsche Welle meets hiphop zonder tanden. Die avond zag ik dat echter anders.

Het was de eerste keer dat ik een rapper live aan het werk zag. Kurtis Blow vond ik fascinerend, maar regelrecht sensationeel vond ik dat wat zijn DJ deed. Hij stond op een soort balkon of entresol schuin boven het podium, achter twee draaitafels waaruit hij mixend en scratchend de meest vette ritmes toverde. Davy DMX, heette hij. Of David Reeves, volgens zijn paspoort.
Van het optreden van Palais Schaumburg herinner ik mij veel minder. Springerig. Hoekig. Arty. Maar herinner ik mij dat echt?

Wir bauen eine Neue Stadt. ’s Avonds laat fietste ik met B. achterop tussen de brandende hopen en resten van barricades rond het Museumplein door. Het was een decor dat versmolt met de ritmes van Davy DMX en tot een opwindende soundtrack werd die ik een paar jaar later zou terughoren in het werk van RunDMC en Public Enemy. Bring the Noise. Prophets of Rage. Black Steel In The Hour Of Chaos. Louder than a Bomb.

We klikten weer op Play en luisterden nog een keer naar de coole swing van de soepel rappende Joey Badass. Sterke tekst. Jazzy geluid. Snufje reggae.
‘Hij is goed, hè,’ zei zoonlief.
‘Zeker.’

Ik was 20. Even oud als Joey Badass. En mijn zoon.

Holger Hiller is tegenwoordig leraar Engels in Berlijn. Thomas Fehlmann maakt deel uit van The Orb en is nog steeds actief in de Duitse Techno-scene. Kurtis Blow is in de here en treedt tegenwoordig op als hiphop predikant. David Reeves produceerde ondermeer werk van RunDMC en trad in 2013 op met Public Enemy op Glastonbury.

B. is tegenwoordig casting director.