Des Snoeks

Zondag wordt The Passion nog eens overgedaan. Als op de Vlaamse heuvels de Lijdensweg nogmaals wordt uitgevoerd. Met de Muur van Geraardsbergen als hedendaags Golgotha.

Tenzij er hier in huis zwaarwegende bezwaren zijn, zal ik ook deze 99e editie van de Ronde van Vlaanderen voor de tv meebeleven. Maar ik denk niet dat ik daarbij op de NOS zal afstemmen. Ik zie namelijk nogal op tegen het luisteren naar Herbert Dijkstra en Maarten Ducrot. Dat zit hem met name in het feit dat vooral Herbert Dijkstra de koning is van het gebruik van de zegswijze ‘het is niet des…’, waar op de plaats van de puntjes de genitief van een eigennaam wordt ingevuld. Zoals in ‘Het is niet des Snoeks om kritiek te leveren op iemands taalgebruik’. Maar er zijn grenzen.

Waarom is het zo pijnlijk om dit aan te horen? Niet omdat het foutief is, met fouten heb ik niet zo heel veel moeite. Nee, het is een pijnlijk soort hypercorrectie en gewichtigdoenerij ineen. Flauwekul. Gebeuzel, Larie. En een verschijnsel dat je vooral bij sportcommentatoren en -journalisten ziet. Jack van Gelder is er ook een meester in.

Googelt u maar eens en u zult voorbeelden tegenkomen als ‘het is niet des Hiddinks’, ‘des Oranjes’, ‘des Ajax’, ‘des Feyenoords’, ‘des Ruttens’, ‘des Kramers’, ‘des Twentes’. En hier en daar een ‘het is niet des Bentley’s’ (Autoblog.nl). Of een ‘dat is niet des Europees denken’ (Boerderij.nl).

Terwijl er toch zulke voor de hand liggende alternatieven zijn. Zoals ‘het is niets voor Hiddink’ of ‘dat past niet bij Feyenoord’.

Het is een beetje flauw om te zeggen dat het een pijnlijke poging is van sportjournalisten om hun beroep cachet te geven. Geboren uit de wens voor vol te worden aangezien. Maar het is wel zo.

En hoewel het niet des Snoeks is om uit de bijbel te citeren, wil ik dat bij wijze van uitzondering hier toch doen. ‘Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten.’ Goed. Het is gezegd. En niet onopgemerkt gebleven. Laten wij daarmee de uitdrukking ten grave dragen.

Advertenties

Technisch hart

(ANP) Een boze Johan Cruyff is vanmorgen de burelen van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden binnengevallen. Cruyffs woede richtte zich met name op voorzitter Wiebe Wieling en zijn besluit om De Tocht voorlopig niet plaats te laten vinden.
‘Hun moeten de tocht weer teruggeven aan de schaatsers,’ aldus de voormalige stervoetballer, die overigens ontkende dat bij zijn actie harde woorden waren gevallen. ‘Ik ben niet uit op macht, maar er moet snel ingegrepen worden. Je hoopt altijd dat dat soort mensen uit zichzelf een stap opzij doen, om het zo maar te noemen. Want je ziet het steeds verder afglijden.’
Niet lang na Cruyffs entree was ook advocaat en voormalig profvoetballer Keje Molenaar ter plaatse. Hij deelde de verzamelde pers mede dat alle rayonhoofden met onmiddellijke ingang uit hun functie waren ontheven. De dagelijkse leiding binnen de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden ligt nu in handen van het zogenaamde technisch hart, bestaande uit Wim Jonk, Dennis Bergkamp en Tscheu la Ling. De eerste actie van dit illustere drietal zal bestaan uit de aanleg van een groot aantal kluunveldjes door heel Nederland.

A rose is a rose is a rose

Ik hoorde het woord voor de eerste keer – wanneer was het, vrijdagavond, zaterdagochtend? Motsneeuw. Wist niet dat het bestond. Wist wel wat ik mij erbij moest voorstellen. Vroeg me af of ik het lelijk vond of toch juist mooi. Het woord dan. Niet het weer. De korte, botte klank van het eerste deel en de zachte verzuchting die het tweede is, gaan een vreemde combinatie aan. Of eigenlijk geen. Ze binden niet. Fascinerend woord, vond ik, en ik wilde er iets over schrijven.
Tot ik vandaag een tweede woord zag dat eveneens nieuw voor mij was. Maar van dit woord weet ik zeker dat het, in tegenstelling tot motsneeuw, ook werkelijk nieuw is. Dit woord is mooi, mysterieus mooi, dadaïstisch mooi. Paul van Ostaijen, Boem Paukeslag. Pure poëzie. Een woord dat rollebollend van je tong af rolt. Het duin af, zo het strand op, zomerdag en kindertijd: witte jurk en strooien hoed. Mooi. Het woord dan.
Ook bij dit woord wist ik direct wat ik mij erbij voor moest stellen. Heeft u zich wel eens afgevraagd hoe hard 140km per uur nu eigenlijk is? Rodeldode. Sinds vrijdag weten we het.

Laagland

Mooi boek, Laagland van Joseph O’Neill. Geen 9/11 roman, daar had het boek wat mij betreft zelfs zonder gekund. En ook had er naar mijn smaak wat gesneden mogen worden in het gezever over zijn huwelijk(sproblemen). Ook de Dutch Connection speelde geen enkele rol in mijn waardering voor het boek. Nee, in feite zijn er slechts twee redenen waarom ik het toch een mooie roman vond: het thema van the Americain Dream en het dromen van cricket. Vooral dat laatste was naar mijn hart. Niet dat ik zo’n cricketfan ben, dat niet. Het had van mij elke andere sport mogen zijn. Ik heb nooit echt op hoog niveau gevoetbald, tot mijn spijt, maar de volgende passage had ik kunnen schrijven. Ook ik droom nog dikwijls van doelpunten gescoord op een veldje in een Amsterdams park, in de zaal van het Universitair Sportcentrum of op een Amsterdams voetbalveld. En die momenten, in tegenstelling tot zoveel andere die belangwekkender zouden moeten zijn, liggen inderdaad in de kern van wat ik voor het gemak dan maar mijn ‘Zelf’ noem.

‘Ik vind het moeilijk mij een te voelen met die voormalige zelven wier ongelukken en inspanningen mij mede gevormd hebben. De schooljongen aan het Gymnasium Haganum; de student in Leiden; de onnozele trainee executive bij Shell; de analist in Londen; zelfs de dertigjarige die met zijn opgewonden jonge vrouw naar New York vloog: mijn gevoel is dat die allemaal zijn vervaagd, in de loop der jaren, en uiteindelijk verdwenen. Maar ik denk nog steeds aan mezelf, en ik vrees dat ik dat altijd zal blijven doen, als de jongeman die in Amstelveen met een hausse aan cuts honderd runs scoorde, die in Rotterdam, in de tweede slip, met een snoekduik die ene bal ving, die met veel geluk een hattrick scoorde bij de Haagsche Cricket Club. Deze en andere cricketmomenten zijn in mijn geheugen geëtst als sexuele herinneringen, altijd oproepbaar, en in die lange eenzame nachten in het hotel, als ik me wilde afschermen van de droefste gevoelens, waren ze in staat me wakker te houden terwijl ik ze opnieuw doorleefde en liggend in bed machteloos treurde om de mysterieuze belofte die ze ooit hadden ingehouden.’

Tasje

Ik meen dat het de rekstok was. Een van de atleten had zojuist bovenmenselijke prestaties geleverd waar ik met ontzag en ongeloof naar had zitten kijken. Nauwelijks aangedaan door zijn inspanningen schreed hij naar een bankje, om daar het oordeel van de jury af te wachten. Op gezicht noch torso was een zweetdruppeltje te zien; slechts een lichte blos kleurde zijn wangen. In zich zelf gekeerd staarde hij voor zich uit en begon met langzame bewegingen de zwachtels van zijn polsen te wikkelen. Hij boog voorover, pakte een plastic tasje onder de bank vandaan en stopte daar de zwachtels in. ‘Lee’ stond erop. En opeens zat daar weer een jongen van misschien net twintig.