Zelfbegoogeling (2)

Op 14 december 2008 schreef ik over mijn zoektochten langs de digitale snelweg naar mijn naamgenoten, de René Snoek van Snoek Centraal Stofzuiger Apparatuur bijvoorbeeld, de tennisser van TC Lekkerkerk of de waterpolocoach. Vandaag maakte ik weer een ommetje en las dat een andere naamgenoot van mij recentelijk door het noodlot is aangedaan. Studio Hairstyle, de kapsalon van René Snoek en Ria Gelderblom (‘zij zorgen met hun veelzijdige team van stylisten dat je je iedere keer weer thuis voelt’) is door een uitslaande brand in as gelegd. ‘Ik hoorde de kettingzaag. Foute boel’ kopt Het Kontakt onheilspellend. Op 2 januari, ‘terwijl Lekkerkerk uitbuikt na de feestdagen’, volgens wederom Het Kontakt. Het artikel eindigt optimistisch. De eigenaren laten zich niet kisten en zijn supergemotiveerd om het pand weer in de oude staat te herstellen. En dat de klanten voorlopig terecht kunnen in het voormalige pand van babyspeciaalzaak Mudde aan de Burgemeester Roosstraat, geeft zelfs mij weer goede moed.
En opeens ging er toen een lichtje bij mij branden: de kapper en de tennisser zijn een en dezelfde persoon.

Advertenties

Laagland

Mooi boek, Laagland van Joseph O’Neill. Geen 9/11 roman, daar had het boek wat mij betreft zelfs zonder gekund. En ook had er naar mijn smaak wat gesneden mogen worden in het gezever over zijn huwelijk(sproblemen). Ook de Dutch Connection speelde geen enkele rol in mijn waardering voor het boek. Nee, in feite zijn er slechts twee redenen waarom ik het toch een mooie roman vond: het thema van the Americain Dream en het dromen van cricket. Vooral dat laatste was naar mijn hart. Niet dat ik zo’n cricketfan ben, dat niet. Het had van mij elke andere sport mogen zijn. Ik heb nooit echt op hoog niveau gevoetbald, tot mijn spijt, maar de volgende passage had ik kunnen schrijven. Ook ik droom nog dikwijls van doelpunten gescoord op een veldje in een Amsterdams park, in de zaal van het Universitair Sportcentrum of op een Amsterdams voetbalveld. En die momenten, in tegenstelling tot zoveel andere die belangwekkender zouden moeten zijn, liggen inderdaad in de kern van wat ik voor het gemak dan maar mijn ‘Zelf’ noem.

‘Ik vind het moeilijk mij een te voelen met die voormalige zelven wier ongelukken en inspanningen mij mede gevormd hebben. De schooljongen aan het Gymnasium Haganum; de student in Leiden; de onnozele trainee executive bij Shell; de analist in Londen; zelfs de dertigjarige die met zijn opgewonden jonge vrouw naar New York vloog: mijn gevoel is dat die allemaal zijn vervaagd, in de loop der jaren, en uiteindelijk verdwenen. Maar ik denk nog steeds aan mezelf, en ik vrees dat ik dat altijd zal blijven doen, als de jongeman die in Amstelveen met een hausse aan cuts honderd runs scoorde, die in Rotterdam, in de tweede slip, met een snoekduik die ene bal ving, die met veel geluk een hattrick scoorde bij de Haagsche Cricket Club. Deze en andere cricketmomenten zijn in mijn geheugen geëtst als sexuele herinneringen, altijd oproepbaar, en in die lange eenzame nachten in het hotel, als ik me wilde afschermen van de droefste gevoelens, waren ze in staat me wakker te houden terwijl ik ze opnieuw doorleefde en liggend in bed machteloos treurde om de mysterieuze belofte die ze ooit hadden ingehouden.’

Mag het ietsje meer zijn?

Ze is nooit groot geweest, mijn moeder, en zwaar evenmin. Maar de jaren hebben haar, hand in hand met een aantal fysieke ongemakken, nog kleiner, krommer en lichter gemaakt dan zij al was.
‘Vijfendertig komma zes,’ zei ze gisteren, ‘en ik eet toch goed.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Natuurlijk is er altijd wel iets dat je niet zo lekker vind, maar dat heb je overal.’
Ik knikte.
We keken naar buiten, naar een verpleegster die waarschijnlijk meer dan drie keer zo zwaar was als zij.
‘Nee, het eten is hier goed,’ besloot ze.
Toen ik terug naar huis fietste vroeg ik mij af hoe zwaar mijn moeder werkelijk was. Ik bedoel: hoeveel van die vijfendertig kilo zou ik werkelijk ‘mijn moeder’ willen noemen? In haar skelet van een kilootje of veertien zou ik haar nooit herkennen. Ik begrijp trouwens niet waar die overige twintig zouden moeten zitten, maar dat terzijde.
Nee, haar hersenen, die een à anderhalve kilo zenuwcellen, laten we die apart leggen en met het etiket  ‘mijn moeder’ tooien. Wat wil ik nog meer bewaren? De kromming van haar neus, zeker. Het pukkeltje schuin onder haar linker oor ook, evenals dat tussen mond en neus, dat sommigen van ons van haar geërfd hebben. Het eelt op haar voeten en haar vekalkte nagels neem ik ook mee. Niet omdat ze mij zo dierbaar zijn, maar wel omdat ze bij haar horen. Datzelfde geldt voor de bijna liploze mond die nooit lippenstift heeft gekend en haar ogen, die met de jaren bleker en bleker zijn geworden, alsof het batterijtje dat ze brandend houdt bijna op is. Dat, en haar handen, of haar vingers liever. Haar lange, magere vingers, die nog steeds op dezelfde manier als veertig jaar geleden een koekje vasthouden of een afmeting aanduiden, alsof zij niet in de gaten hebben dat alles om hen heen veranderd is.
Dat is het wel zo’n beetje. Nog geen twee kilo, denk ik.
Een etensbord vol. Meer is het niet.

Identiteit

Vreemd hoe de laatste tijd opeens het landschap wordt meegetrokken in de steeds weer oplaaiende discussie over onze Nederlandse identiteit. Eerst in De staat van de ruimte, het rapport van het Ruimtelijk Planbureau. Het eigene van het Nederlands landschap is volgens directeur Wim Derksen de delta. ‘Want,’ zo zegt hij, ‘je kunt wel zeggen dat de Achterhoek en de heuvels van Zuid-Limburg zo mooi zijn, maar half Europa ziet er uit als de Achterhoek. Het kenmerkende aan ons land is het water.’
En gisteren hoorde ik eenzelfde geluid weer uit de mond van Marianne Kuijpers van het Milieu en Natuur Planbureau. Zij  stelt in het rapport Nederland Later voor om de Utrechtse Heuvelrug bij de Randstad te betrekken. ‘Want,’ aldus Kuijpers, ‘de natuur van de Utrechtse Heuvelrug is niet erg karakteristiek voor Nederland, natte natuur is dat wel.’ Vreemde argumentaties vind ik dat. Is dit nu een typisch begin 21e eeuws perspectief? Of een typisch Randstad perspectief?
Misschien kunnen we heel Oost-Nederland gewoon aan Duitsland geven en het zuiden aan de Belgen. Voorbij Utrecht versta ik ze toch niet meer.
Weet u wat trouwens ook geen typisch Nederlandse natuur is? De paardenkastanje. Kwam begin 1600 uit Turkije over. Samen met de tulp.

Wij!

U al iets van gemerkt, die Week van de Democratie? Ik ook niet. Behalve dan die reclames en affiches die ons overal krijgshaftig ‘Wij zijn de baas!’ toeroepen. Ik heb altijd heel andere associaties bij het begrip ‘democratie’. Dacht dat we nu juist hadden afgesproken dat het zo eenvoudig niet lag.
Je zou kunnen zeggen dat de bedenkers de tijdgeest feilloos aanvoelen. Of dat zij gemakzuchtig meeliften op het volksempfinden. Overigens uit psychologisch opzicht wel interessant hoe ‘ik!’ ‘wij!’ kan worden. Het heeft denk ik met het aantal stemmen te maken. Als je maar met genoeg mensen ‘ik!’ roept, gaat het vanzelf als ‘wij!’ klinken.
Noem me een lafaard, maar een beetje eng vind ik het wel.