Ongelofelijk

Al bijna een week door bronchitis aan huis gebonden, maak ik vandaag voor het eerst een klein wandelingetje naar het winkelcentrum om de hoek. Naar de bakker en de Bruna. Voor een halfje bruin en Kampvuur van Julia Franck.
Zelfs deze kleine inspanning kost me moeite en hoestend en piepend loop ik terug naar huis. Op het bruggetje tegenover onze straat kom ik een oude man achter een rollator tegen.
‘Meneer,’ roept hij, ‘weet u hoe oud ik ben?’
Ik steek het fietspad over dat ons scheidt. Ik ken hem niet. Hij is oud. Ouder dan hij er uitziet ongetwijfeld. Even overweeg ik om ‘negentig’ te zeggen en door te lopen, maar ik besluit de man een plezier te doen.
‘Vijfenzeventig?’
‘Vijfentachtig,’ glundert de ander, ‘ongelofelijk, hè.’
Veel minder had ik hem niet gegeven, maar ik ben in een goede bui en zeg: ‘Mijn complimenten, ik hoop dat ik er tegen die tijd nog net zo goed uitzie als u.’
‘Hoe oud bent u?’ vraagt hij.
‘Ik moet nog vijftig worden.’
‘Ik ben vijfentachtig,’ zegt de man weer, ‘ongelofelijk, hè.’
Hij zegt het alsof hij onderworpen is geweest aan een natuurwonder. Alsof hij gisteren nog honderdvijf was en nu twintig jaar jonger is opgestaan.
Zijn handen, die hij stevig om de handvatten van zijn rollator heeft geklemd, trillen en aan de punt van zijn neus vormt zich een druppel.
‘En u geniet nog volop van een wandeling, zie ik?’
‘O ja,’ zegt de man, ‘zeker.’
‘Dat is misschien het beste recept om oud te worden,’ zeg ik glimlachend.
‘Ja,’ knikt hij, ‘en geen alcohol.’
Ik aarzel een fractie van een seconde te lang en zeg dan, iets minder enthousiast: ‘Ik zal er aan denken.’
De druppel valt van ’s mans neus naar beneden.
‘Ongelofelijk, hè,’ zegt hij voor een laatste keer.
Dan neem ik met een hoofdknik afscheid van hem en vervolg mijn weg naar huis.

Aangloeien

Verderop in de gang van het verzorgingshuis staat een groepje verzorgsters en verpleegsters te praten. Ze maken handgebaren, knikken, overleggen; een schiet er in de lach.
‘Mevrouw B. is uit haar bed gevallen,’ verklaart mijn moeder als ik haar ernaar vraag. Naar buiten starend blijft ze met haar rollator middenin de kamer staan. ‘Je vraagt je af hoe je uit je bed kan vallen,’ peinst ze, ‘ik draai me ook tien keer per nacht om, maar ik ben nog nooit uit mijn bed gevallen.’
Ik heb haar wakker gemaakt: toen ik het halletje binnenstapte, betrapte ik haar bij het opzetten van haar bril. Ik knip het koffiezetapparaat aan dat zij al heeft klaargezet, berg haar boodschappen op en hang mijn jas op. Ik schenk koffie in, leg de meegebrachte gevulde koeken op een schoteltje, ga tegenover haar aan tafel zitten en zeg iets over het weer. Ze is er met haar gedachten nog niet helemaal bij, mijn moeder. Op zulke momenten, gewekt uit een van haar hazenslaapjes, heeft ze even tijd nodig. Ze moet aangloeien, als een spaarlamp of een ouderwetse buizenradio. Ik vraag me af of die opstarttijd toe zal nemen, in duur of in frequentie, en of ik er getuige van zal zijn als dat zwakke gloeien niet meer in staat zal zijn een licht te ontsteken in de schemering van haar geest.
Ze drinkt haar kopje leeg: de koffie doet haar zichtbaar goed. Ze pakt een van de lijstjes die ze maakt erbij om te zien wat ze mij vandaag allemaal moet vragen. Bij de eerste regel vonken haar ogen en krijgt haar huid zowaar wat kleur. ‘Ach,’ zegt ze, ‘nou wordt-ie helemaal mooi.’ Ze schiet overeind en zonder rollator komt ze op mij af. ‘Het is toch erg, hè, vergeet ik daar mijn hele kind.’
Ik ben jarig. Achtenveertig.