Niks is vaak het mooist

Soms besef je opeens weer hoe belangrijk de omgeving is waarin je woont. Ons huis staat aan de rand van Amstelveen. Op de fiets ben ik binnen een half uur in het hartje van Amsterdam, maar loop ik de straat uit, dan sta ik midden in een kleinschalig en open polderlandschap. Ik heb er elke dag plezier van. Ik ben het me alleen niet elke dag bewust. Maar laatst wel.
Het was een mooie dag. Zonnig. Met een flinke soeplepel voorjaar in de lucht. Ik was op weg naar een boerderij aan de Nesserlaan die boerenkaas verkoopt. Heerlijke kaas. Fantastische kaas. Hij wordt gemaakt op een boerderij in Oud Ade. Als u net als ik geen idee hebt waar dat ligt: tussen Roelofarendsveen en Leiden. Midden in het Groene Hart dus. Samen met wat andere producten wordt de kaas verkocht in een landwinkel achter de boerderij van de schoonouders, aan de rand van Amstelveen – en daar prijs ik me gelukkig mee.

>lees verder

Advertenties

Assepoester

Het natuur- en recreatiegebiedje achter mijn huis waar ik mijn rondjes jog, ging het afgelopen weekend, net als de rest van Nederland, gehuld in een sprookjesachtig wit en glinsterend gewaad. Vandaag was de betovering verbroken en was het weer zo mooi of lelijk als altijd. Ik rende over de zompige paden en het doorweekte gras. De bomen stonden er met lege handen en er hing een grijze nevel boven de velden die geen licht doorliet. Het deed me denken aan een meisje dat één avond lang in de schijnwerpers had mogen staan en nu weer tot haar muizig bestaan was veroordeeld. Slechts in de slootjes lag nog een vliesdun laagje viezig ijs. Als een klontertje mascara in een hoekje van haar oog.

sprookje

Heuvelland

Over de sensualiteit van een landschap, hebben we het daar al eens over gehad? Ik moest daar aan denken toen ik laatst in de grensstreek van Limburg en België was. Wij verbleven pal op de grens, grenspaal 24 stond voor onze deur. Aan de ene kant keken wij uit over golvende velden waarachter de kerktoren van Mheer zijn hoofd boven water probeerde te houden. Aan de andere kant van de boerderij lag een van de mooiste dalen van de Voerstreek, dat rond kasteel Altembroek.
>lees verder

Identiteit

Vreemd hoe de laatste tijd opeens het landschap wordt meegetrokken in de steeds weer oplaaiende discussie over onze Nederlandse identiteit. Eerst in De staat van de ruimte, het rapport van het Ruimtelijk Planbureau. Het eigene van het Nederlands landschap is volgens directeur Wim Derksen de delta. ‘Want,’ zo zegt hij, ‘je kunt wel zeggen dat de Achterhoek en de heuvels van Zuid-Limburg zo mooi zijn, maar half Europa ziet er uit als de Achterhoek. Het kenmerkende aan ons land is het water.’
En gisteren hoorde ik eenzelfde geluid weer uit de mond van Marianne Kuijpers van het Milieu en Natuur Planbureau. Zij  stelt in het rapport Nederland Later voor om de Utrechtse Heuvelrug bij de Randstad te betrekken. ‘Want,’ aldus Kuijpers, ‘de natuur van de Utrechtse Heuvelrug is niet erg karakteristiek voor Nederland, natte natuur is dat wel.’ Vreemde argumentaties vind ik dat. Is dit nu een typisch begin 21e eeuws perspectief? Of een typisch Randstad perspectief?
Misschien kunnen we heel Oost-Nederland gewoon aan Duitsland geven en het zuiden aan de Belgen. Voorbij Utrecht versta ik ze toch niet meer.
Weet u wat trouwens ook geen typisch Nederlandse natuur is? De paardenkastanje. Kwam begin 1600 uit Turkije over. Samen met de tulp.

Kade de Toekomst

Een korte wandeling op zondagmorgen. Door de oude poldertjes ten zuiden van de stad. De eenvoud van het landschap: weiden en sloten. Niets meer en niets minder. Ascetisch. Rechtlijnig. De kerkgang van een heidens wandelaar.
Langzaam begint het wolkendek te breken. Het silhouet van de stad licht zilverig op. Het water in de sloten staat hoog. Of het land ligt laag. Op deze plek hier kan ik het niet laten om de regels te mompelen die ik er ooit over schreef:
‘En soms wordt je dan opeens getroffen door de schoonheid van een beeld dat zich al ontelbare malen op je netvliezen moet hebben getoond: een weide met een sloot, een groen vlak met daarin een glanzende, met bibberige hand getrokken, kwikzilveren streep. En aan weerszijden daarvan, om het te vervolmaken, een tweetal zwanen in perfecte symmetrie.’ De zwanen zijn er niet altijd, maar die denk ik er dan bij.
Voetnoten bij het wandelen. Leestekens in het landschap.
En dan een grasdijk die sierlijk en lichtzinnig door de weilanden slingert. Beschermer tegen welk water? Spierballenvertoon.
Er staat een bordje: Kade de Toekomst. Jeugdige overmoed.