Tears of a clown

Ik zag vandaag een stukje buiten Abcoude een dwergpony in een weiland staan. Weinig dingen zo troosteloos als zo’n circuspaardje in de regen. Doorgezakte rug, haar voor de ogen, olijke vlekken: afgedankt hebbedingetje. Het stond daar onbeweeglijk op een morsige boerenerfje – en terwijl ik naar hem keek, schoot mij plotseling de geit te binnen die vroeger bij ons aan de overkant stond.
Ons huis stond aan de Postjeswetering. Aan de overzijde van het water lag een spits toelopend taartpuntje grond, ingeklemd tussen het water en de achterzijde van de huizen aan de Hoofdweg en de Postjesweg. Het was van niemand. Er groeide gras en onkruid, wat struikjes en misschien een enkel boompje dat er wortel had geschoten. Ik heb mij later vaak afgevraagd of iemand dit werkelijk zo had bedacht of dat men dit vergeten stukje grond, dat nergens breder dan twintig meter was, gewoonweg op de tekentafel over het hoofd had gezien.
Op het driehoekje graasde een geit. Het dier was van niemand. Het stond daar, liep zo nu en dan wat heen en weer en deed zich tegoed aan het voor één geitenmaag overvloedige groen. Nooit is het van zijn terrein weg geweest. Hoe zou het ook kunnen, gevangen als het was tussen de hoge, aaneengesloten huizenblokken en het twintig meter brede water.
Ik denk niet dat het zich van zijn gevangenis, of de beperkingen van zijn leven bewust was. Het stond, als alle geiten, zijn vreugdeloze dagen een voor een weg te kauwen.
Nu ik erover nadenk is een geit misschien ook wel het treurigste dier op aarde. Een dat zich lijdzaam schikt in elk armzalig leven: aan een touw aan een paaltje, op twee vierkante meter grond, of op een rantsoen van een paar doornige struikjes in een onvruchtbare woestijn.
Ik heb me wel eens afgevraagd of die geit daar niet was neergezet, maar de huizen om hem heen waren gebouwd. Dat het grazend en zonder met zijn ogen te knipperen de bouwactiviteiten had aangekeken. En toen de laatste steen in het enig overgebleven gat werd geschoven, en zijn gevangenschap voorgoed was, met een domme glimlach op zijn mond al kauwend had toegekeken.
Daar moest ik dus aan denken.
Ik moet er wel bij zeggen dat ik de enige van ons ben die zich deze geit meent te herinneren.
Maar de dwergpony, die stond er echt.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s