Botshol

Laatst op een mooie, zonnige dag rond Botshol gewandeld. Zelden zo’n fijne wandeling door de veenplassen gemaakt. De zon scheen. Wolken dreven af en aan. De plassen toonden zich op hun mooist. Sloten kerfden het grasland open. En even dacht ik dat de hemel overal was. In de plassen, de sloten, ja zelfs in de voetstappen die wij achterlieten in de drassige weiden en die volliepen met een stukje hemel en wolk: in al het water om ons heen spiegelde de wolkenhemel zich. Nog scherper, contrastrijker en helderder dan boven ons in de lucht. Slechts een vliesdun laagje grond was het waarop wij liepen. Met daarboven en daaronder een eindeloze decemberhemel. Mooi was dat.

water-lucht

Herfst (2)

Ik maakte vanmiddag een kleine wandeling door het poldertje bij ons achter. De zon stond laag en waaierde met royaal gebaar het licht over het landschap uit. Er stond een harde wind, harder dan ik had gedacht. De rietpluimen bogen. Het wateroppervlak rilde genotzuchtig. En ondertussen werkten ganzen hun dagelijks portie gras naar binnen. Bagger lag op de slootkanten uitgespreid. Ik zag hier en daar een mee omhoog gekomen zoetwatermossel. Gekraakt en leeggeroofd door een vogel. Eentje was bijna net zo groot als mijn hand. Met opengespreide schelp stak hij als een parelmoeren vlinder uit de zwarte bagger. Handen omhoog of ik schiet. Animal planet in de polder. Het spektakel ligt soms om de hoek.

Smeltwater

Het was vanmorgen. Toen na een paar hevige najaarsbuien de zon doorbrak. Plotseling moest ik denken aan dat moment in winters, als er sneeuw op het dak ligt en de zon schijnt. Dat geluid, van smeltwater dat van de dakpannen loopt en kabbelend door dakgoot en regenpijp de grond in verdwijnt. Fijn geluid is dat. Alsof je met je voeten in een beekje zit. De zon op je gezicht. Winter die doet alsof het zomer is. Zouden we dat nog eens meemaken? Toen even later de regen weer tegen de ramen vlaagde, wist ik weer dat het herfst was.

Don’t look now

Ik zag laatst in een smal vaartje bij ons in de buurt een grote kartonnen doos drijven. Rechtopstaand, met de vier delen die de bovenkant vormden enigszins open, een merkwaardig gezicht was dat. Kwam het daardoor, door dat vreemde drijven? Of was het de schemering die net op dat moment vanuit het water langs de wallenkant omhoog kroop en aan de stammen van de bomen en de muren van de huizen begon te likken?
Hoe het ook zij, het beeld bracht op dat moment een herinnering in mij boven waarvan ik het bestaan was vergeten.
Het is ergens in het midden van de jaren zestig geweest, in de eerste jaren van mijn leven. Ik hoorde het iemand zeggen, maar wie? Ergens in de grachten van Amsterdam was een in stukken gesneden lijk gevonden. In een dichtgebonden zak had het op het water gedreven en was het tegen een kade of woonboot gespoeld. Meerdere zakken waren er gevonden, zo fluisterde mijn geheugen mij nu in, die de diverse delen van het lichaam bevatten, op verschillende plaatsen in de stad, en dat er nog enkele stukken van de macabere puzzel ontbraken, het hoofd denk ik nu, al vraag ik me af of mijn kindergeest niet met het bericht aan de haal is gegaan. Zou een mooie opdracht zijn voor een stagiair in het gemeentearchief.
Het was in de dagen erna dat ik met een vrouw, van wie ik mij de identiteit niet kan herinneren, op een zaterdagmiddag het centrum bezocht. Het was een late namiddag in de herfst, net als nu. Het duister begon op te trekken uit de straten en de bomen langs de grachten filterden het licht van de lampen die hier en daar al werden ontstoken. De tram waarin wij zaten reed stapvoets door de drukke binnenstad en sukkelde over de vele bruggen waaronder het water inktzwart spiegelde. Elke keer dat wij stilhielden op zo’n brug, dacht ik een lichaamsdeel te zien, niet eens meer verpakt in een zak, maar zo, open en bloot. Een arm, een been, de gekromde vingers van een hand, uitstekend boven het water. Of het hoofd, van een meisje natuurlijk, dat mij met toegewend gelaat lag aan te staren, terwijl de golfjes haar haren uit haar ogen streken.
Dezelfde angst, maar niet de herinnering, vond ik al eens eerder terug. Toen ik de film Don’t look now zag en de beelden van het rode capeje dat langs de mistige kanalen van Venetië schoot diezelfde angst weer tot leven brachten, de angst voor het water, voor de duisternis, voor de dood, wat misschien wel drie woorden zijn om hetzelfde aan te duiden.
Het werd langzaam donker. En de doos dobberde zachtjes voort. Onder het bruggetje door waarop ik stond. Of er iets in zat weet ik niet. Ik dorst niet te kijken.

gezicht-in-water.jpg