Herfst

Ik zag  vorige week hier in een plantsoentje tussen straat en stoep een groepje paddenstoelen staan. Aan de voet van een boom. Kleine, witte kegeltjes waren het, een stuk of tien. Met de kop in de aarde gezet. Na een paar dagen waren de lichaampjes als parapluutjes opengeklapt. Ze staan er elk jaar. Een paar dagen slechts: ze vergaan snel. Ik fietste er een paar keer langs en elke keer zei ik zachtjes tegen mijzelf ‘Funghi in cittá‘, naar het verhaaltje uit Calvino’s bundel Marcovaldo.
Soms heb je dat – ik ben vast de enige niet. Dat je op bijna dwangmatige wijze iets moet zeggen. Op een bepaald moment. Bij een bepaalde handeling. Een gebeurtenis. Een dag in het jaar. En dan elke keer weer.
Zo mompel ik elk jaar rond deze tijd als ik naar de tuin kijk de zin ‘Het grote sterven is begonnen’ zachtjes voor me uit. Ik weet zeker dat ik ze niet zelf heb bedacht: maar waar komen die woorden ook al weer vandaan?

Troostlezen (5): ‘Nou moe?’ – de verbazing van Guust Flater en Marcovaldo

Ziek. De koelte van de slaapkamer. Kussens in de rug. De steeds weer herhaalde nieuwsberichten van dalende beurskoersen als een verre, verre mantra op de radio. De werkelijkheid, maar niet hier. Een glas limonade, een pakje zakdoekjes en een stapel stripboeken: dat is mijn, koortsige, werkelijkheid.
De stapels stripboeken die ik bij gelegenheden als deze tevoorschijn haal, stammen uit wat ik de Gouden Eeuw van het stripverhaal noem. De periode tussen ruwweg 1950 en 1970. De tijd waarin van de hand van Belgische en Franse scenaristen en illustratoren het ene na het andere meesterwerk verscheen. Kuifje, Blake & Mortimer, Michel Vaillant, Asterix, Buck Danny, Lucky Luke, Robbedoes, Rik Ringers. Helden wier avonturen mij, als een madeleine met lindebloesemthee, nog steeds zonder omwegen terugbrengen naar mijn kindertijd, een periode die, hoe vreemd dat ook mag klinken voor iemand die in 1961 is geboren, eveneens van 1950 tot 1970 loopt.

> lees verder