Zomerreces

Valt niet mee om na een zomerreces de draad weer op te pakken. Komt misschien bij dat ik rond deze tijd elk jaar meer heimwee naar de zomer lijk te krijgen. Naar de zomer, het zuiden, een ander landschap, een ander klimaat.
Maar ach, voorlopig moeten we het er maar mee doen. Om te beginnen een stuk uit de lade gepakt. Uitgestelde weemoed. Deze zomer in Armada verschenen, tijdschrift voor wereldliteratuur (dat zijn overigens niet mijn woorden). Nummer 55 had ‘wandelen’ als onderwerp. Vandaar.

‘Men zou kunnen zeggen dat het wandelen mij in het bloed zit, dat het mij is ingeprent in mijn kinderjaren, maar wat betekenen die woorden helemaal. Ze verklaren niet waarom ik het doe en er eenmaal aan begonnen bijna niet meer mee kan ophouden. Als ik loop is het mijn natuurlijke drang om het ene been voor het andere been te zetten. Dat klinkt misschien evident, maar dat is het niet. Op de fiets, bijvoorbeeld, moet ik altijd de neiging bedwingen om mijn benen stil te houden. De stap is de ademhaling van mijn lichaam en het ritme van mijn geest. Aan elke pas zou ik het liefst een volgende willen toevoegen, in een nooit eindigende, zich alsmaar voortzettende reeks. Niet om ergens aan te komen, want aankomen doe ik al bij de eerste schrede die ik zet, maar om ergens weer weg te gaan. Het idee van oneindigheid. Misschien is dat het wel wat wandelen zo aangenaam maakt.
   Mijn vader en moeder bewogen zich op heel verschillende wijze voort. Mijn moeder, een kleine, schriele vrouw, drentelde met korte, vinnige passen. Noodgedwongen en met onverhulde tegenzin. Als zij een straat overstak had zij de gewoonte om na elke drie, vier stappen een klein dribbelpasje in te voegen, alsof zij zich haastig uit de voeten moest maken voor toestormend verkeer. Maar er was geen auto, brommer of fiets die haar belaagde en de enige persoon die te bekennen viel, was ik, terwijl ik meegetrokken aan haar hand pogingen deed gelijke tred met haar te houden.’

>lees verder

Botshol

Laatst op een mooie, zonnige dag rond Botshol gewandeld. Zelden zo’n fijne wandeling door de veenplassen gemaakt. De zon scheen. Wolken dreven af en aan. De plassen toonden zich op hun mooist. Sloten kerfden het grasland open. En even dacht ik dat de hemel overal was. In de plassen, de sloten, ja zelfs in de voetstappen die wij achterlieten in de drassige weiden en die volliepen met een stukje hemel en wolk: in al het water om ons heen spiegelde de wolkenhemel zich. Nog scherper, contrastrijker en helderder dan boven ons in de lucht. Slechts een vliesdun laagje grond was het waarop wij liepen. Met daarboven en daaronder een eindeloze decemberhemel. Mooi was dat.

water-lucht

Heuvelland

Over de sensualiteit van een landschap, hebben we het daar al eens over gehad? Ik moest daar aan denken toen ik laatst in de grensstreek van Limburg en België was. Wij verbleven pal op de grens, grenspaal 24 stond voor onze deur. Aan de ene kant keken wij uit over golvende velden waarachter de kerktoren van Mheer zijn hoofd boven water probeerde te houden. Aan de andere kant van de boerderij lag een van de mooiste dalen van de Voerstreek, dat rond kasteel Altembroek.
>lees verder

Natuur

Ik moest eraan denken toen ik een paar dagen terug over cruisende homo’s in het Vondelpark las. Aan een stukje dat ik een jaar of wat geleden schreef.
‘Ik fietste laatst door een parkje aan de rand van Amsterdam, ingeklemd tussen de A4 en het Nieuwe Meer. De zon scheen, de berm was getooid met schuimkoppen van Fluitekruid en ik fietste er zo onverwacht plezierig dat ik bijna het geraas van het verkeer over de A4 vergat. Ik passeerde een wildrooster, wat mij natuurlijk had moeten alarmeren, en geheel onverwachts vond ik toen weer zo’n langharig beest op mijn pad. Ik vond het een tikje overdreven voor de omvang van dit stukje natuur: hoeveel van deze dieren liepen er eigenlijk rond in dit achtertuintje van een ambitieuze stadsdeelraadbestuurder?’
Later zag ik dit stukje natuur terug, op televisie. Het bleek behalve door Schotse Hooglanders ook in het bezit genomen te zijn door cruisende homo’s. Dat was voor het eerst dat ik dat woord hoorde. Of de combinatie liever van die twee woorden naast elkaar. Had tot dat moment eerder gedacht aan twee geliefden van gelijk geslacht die een boottripje maken.
Het zou om te lachen zijn als het niet zo triest was. Vooral dat beeld van langharige runderen en blote mannen. Op een klein stukje wildernis.
Grote grazers en cruisende homo’s: natuur in Nederland.

N236

Afgelopen zondag over de N236 naar ‘s Graveland gereden. Ik houd van provinciale wegen. Ik houd van het Nederland van voor de snelwegen. Bochtige wegen. Langzaam slingerend door het landschap. Rij bomen erlangs. Een sloot. Weilanden. Een benzinepompstation, een kwekerij, een bedrijf dat sierhekken maakt. Chinees restaurant ‘De grote muur’.
De N236 is een van mijn favorieten. Van de rand van Amsterdam gaat hij zonder haast langs Driemond, Weesp, Ankeveen en ‘s Graveland, en dan verder naar Bussum en Hilversum.
Molens langs de Vecht. Moeten we geen voorbeeld aan het verleden nemen? Onze windmolens niet hoger maken dan die uit vroeger eeuwen? Of zou dat niet rendabel zijn?
Links het Naardermeer. Er staan wat bunkers in de weilanden. Van een is het dak eraf. Kaarsrecht onthoofd. Als een eitje op zondagmorgen.
Gewandeld door de buitenplaatsen aan de rand van ‘t Gooi: Bantam, Schaep en Burgh, Boekesteijn, Hilverbeek. Voor de zoveelste keer, maar altijd aangenaam. IJs op de sloten en zon in het gezicht. Vorst aan de grond en zomer in het hoofd.
In een weiland staat een handvol reigers. De kop tussen de vleugels getrokken en de snavel allemaal in dezelfde richting. Alsof iemand een tiental grijze paraplu’s er in de grond heeft geprikt.
Bij het bruggetje van Kortenhoef drinken we een kop koffie. Op het terras achter het glas. We krijgen er een stroopwafeltje bij. Zou Nescio hier ooit hebben gezeten? Hij kwam hier vaak. Wandelde van Hilversum via Loosdrecht naar Bussum. En over welk bruggetje had hij het toen hij in 1942 schreef: ‘Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als het kan een beetje hardhandig.’ Het is van alle tijden.

Kade de Toekomst

Een korte wandeling op zondagmorgen. Door de oude poldertjes ten zuiden van de stad. De eenvoud van het landschap: weiden en sloten. Niets meer en niets minder. Ascetisch. Rechtlijnig. De kerkgang van een heidens wandelaar.
Langzaam begint het wolkendek te breken. Het silhouet van de stad licht zilverig op. Het water in de sloten staat hoog. Of het land ligt laag. Op deze plek hier kan ik het niet laten om de regels te mompelen die ik er ooit over schreef:
‘En soms wordt je dan opeens getroffen door de schoonheid van een beeld dat zich al ontelbare malen op je netvliezen moet hebben getoond: een weide met een sloot, een groen vlak met daarin een glanzende, met bibberige hand getrokken, kwikzilveren streep. En aan weerszijden daarvan, om het te vervolmaken, een tweetal zwanen in perfecte symmetrie.’ De zwanen zijn er niet altijd, maar die denk ik er dan bij.
Voetnoten bij het wandelen. Leestekens in het landschap.
En dan een grasdijk die sierlijk en lichtzinnig door de weilanden slingert. Beschermer tegen welk water? Spierballenvertoon.
Er staat een bordje: Kade de Toekomst. Jeugdige overmoed.

Quote

Van alle naar mijn eigen mening toch wel aardige regels die ik heb geschreven, is er een die op het internet een tweede leven is begonnen. Of eigenlijk zijn het er drie, drie regels die tezamen nogal in de smaak lijken te vallen. Het is een citaat dat ik de eerste keer, keurig met bronvermelding, tegenkwam op de Tweevoeter-site en dat daarna aan een merkwaardige reis over het wereldomvattende web is begonnen. Soms krijg ik een berichtje van ‘m, een kaartje, een groet. Of ik kom hem tegen. Niet altijd in de oorspronkelijke vorm. Maakt heel wat mee, dat citaat. Meer dan ik.
‘Wandelen is een voorschot nemen op terugverlangen. Uitgestelde weemoed. We kijken niet uit naar het moment waarop we ergens aankomen, maar naar het moment dat we er weer vertrekken.’
Vind hem zelf ook wel aardig.