Herfst (2)

Ik maakte vanmiddag een kleine wandeling door het poldertje bij ons achter. De zon stond laag en waaierde met royaal gebaar het licht over het landschap uit. Er stond een harde wind, harder dan ik had gedacht. De rietpluimen bogen. Het wateroppervlak rilde genotzuchtig. En ondertussen werkten ganzen hun dagelijks portie gras naar binnen. Bagger lag op de slootkanten uitgespreid. Ik zag hier en daar een mee omhoog gekomen zoetwatermossel. Gekraakt en leeggeroofd door een vogel. Eentje was bijna net zo groot als mijn hand. Met opengespreide schelp stak hij als een parelmoeren vlinder uit de zwarte bagger. Handen omhoog of ik schiet. Animal planet in de polder. Het spektakel ligt soms om de hoek.

Herfst

Ik zag  vorige week hier in een plantsoentje tussen straat en stoep een groepje paddenstoelen staan. Aan de voet van een boom. Kleine, witte kegeltjes waren het, een stuk of tien. Met de kop in de aarde gezet. Na een paar dagen waren de lichaampjes als parapluutjes opengeklapt. Ze staan er elk jaar. Een paar dagen slechts: ze vergaan snel. Ik fietste er een paar keer langs en elke keer zei ik zachtjes tegen mijzelf ‘Funghi in cittá‘, naar het verhaaltje uit Calvino’s bundel Marcovaldo.
Soms heb je dat – ik ben vast de enige niet. Dat je op bijna dwangmatige wijze iets moet zeggen. Op een bepaald moment. Bij een bepaalde handeling. Een gebeurtenis. Een dag in het jaar. En dan elke keer weer.
Zo mompel ik elk jaar rond deze tijd als ik naar de tuin kijk de zin ‘Het grote sterven is begonnen’ zachtjes voor me uit. Ik weet zeker dat ik ze niet zelf heb bedacht: maar waar komen die woorden ook al weer vandaan?

Natuur

Ik moest eraan denken toen ik een paar dagen terug over cruisende homo’s in het Vondelpark las. Aan een stukje dat ik een jaar of wat geleden schreef.
‘Ik fietste laatst door een parkje aan de rand van Amsterdam, ingeklemd tussen de A4 en het Nieuwe Meer. De zon scheen, de berm was getooid met schuimkoppen van Fluitekruid en ik fietste er zo onverwacht plezierig dat ik bijna het geraas van het verkeer over de A4 vergat. Ik passeerde een wildrooster, wat mij natuurlijk had moeten alarmeren, en geheel onverwachts vond ik toen weer zo’n langharig beest op mijn pad. Ik vond het een tikje overdreven voor de omvang van dit stukje natuur: hoeveel van deze dieren liepen er eigenlijk rond in dit achtertuintje van een ambitieuze stadsdeelraadbestuurder?’
Later zag ik dit stukje natuur terug, op televisie. Het bleek behalve door Schotse Hooglanders ook in het bezit genomen te zijn door cruisende homo’s. Dat was voor het eerst dat ik dat woord hoorde. Of de combinatie liever van die twee woorden naast elkaar. Had tot dat moment eerder gedacht aan twee geliefden van gelijk geslacht die een boottripje maken.
Het zou om te lachen zijn als het niet zo triest was. Vooral dat beeld van langharige runderen en blote mannen. Op een klein stukje wildernis.
Grote grazers en cruisende homo’s: natuur in Nederland.