‘And how are you?’ said Winnie the Pooh.
‘Not very how,’ he said, ‘I don’t seem to have felt at all how for a long time.’

Soms, als ik als Troostlezer weer naar de boeken van A.A. Milne grijp, slaag ik erin om het gevoel op te roepen dat mij in mijn kinderjaren overviel als ik regels als de bovenstaande las.
Als kind kon ik niet tegen de zwartgalligheid van Iejoor. Zijn donkere wereldbeeld beklemde me, zijn cynisme voelde ik als een bedreiging. Ik huiverde als het verhaal zich verplaatste naar dat sombere plekje van het bos, ‘a Gloomy Place’, a thistly corner of the forest’, waar de oude, grijze ezel zijn distels eet en de condition humaine overdenkt.

‘Good morning, Eeyore,’ said Pooh.
‘Good morning, Pooh Bear,’ said Eeyore gloomily. ‘If it is a good morning,’ he said. ‘Which I doubt,’ said he.
‘Why, what’s the matter?’
‘Nothing, Pooh Bear, nothing. We can’t all, and some of us don’t. That’s all there is to it.’

Het waren de dingen die hij zei en de dingen die hij deed – of niet deed, beter gezegd. Iejoor deed namelijk niet zo veel. De meeste dingen overkwamen hem. Als ik nu naar woorden grijp om dat wat mij toen deed huiveren een naam te geven, dan zijn dat ‘lijdzaamheid’, ‘somberte’ en ‘cynisme’. Tussen alle naïeve figuren die de verhalen bevolkten, zou je Iejoor sadder and wiser kunnen noemen en de kleine lezer die ik was voelde de ezel als een bedreiging voor de tedere avonturen in het Honderd Bunders Bos. Alsof er op het moment dat hij zijn entree maakte een schaduw over het bos viel. En achteraf zou je kunnen zeggen dat het misschien de schaduw der volwassenheid was.
Als kind genoot ik van de avonturen rond Poeh, Knorretje en Christopher Robin – of Janneman Robinson liever: ik ben nog opgegroeid met de vertaling van Nienke van Hichtum; de ‘Klontemiggel’ is mij altijd een doorn in het oog geweest. Als gymnasiast was ik gegrepen door de humor en het subtiele taalgebruik van Milne en begon ik net als hij Zeer Belangrijke Dingen met een hoofdletter te schrijven. Als volwassene tenslotte liet ik mij wegvoeren naar ‘That enchanted place on the top of the Forest’ waar ‘a little boy and his Bear will always be playing.’
De liefde voor de verhalen van Milne bleef, hoewel mijn blik erop veranderde. En die sombere, oude, grijze ezel werd een van de dierbaarste bewoners van het bos. De verhalen die mij ooit hadden doen huiveren waren mij nu het liefst. Of het nu gaat om dat waarin Poeh en Knorretje in de winter een hoopje takken vinden en daar op een andere plek een hutje voor Iejoor van bouwen. Waarna dat hoopje takken zijn oude huisje blijkt te zijn geweest. Of dat waarin Iejoor zijn staart kwijt is en Poeh hem herkent in het schellekoord van Uil – en Christopher Robin hem weer op zijn juiste plaats vastspijkert.
Maar het hoogtepunt in Milne’s oeuvre is voor mij het verhaaltje rond Iejoors verjaardag. Het begint zoals de meeste verhaaltjes waarin de ezel zijn opwachting maakt, met precies die toon, sfeer en woorden waar ik als kind bang voor was: 

Eeyore, the old gray donkey, stood by the side of the stream, and looked at himself in the water. ‘Pathetic,’ he said. ‘That’s what it is. Pathetic.’ He turned and walked slowly down the stream for twenty yards, splashed across it, and walked slowly back on the other side. Then he looked at himself in the water again. ‘As I thought,’ he said. ‘No better from this side. But nobody minds. Nobody cares. Pathetic, that’s what it is.’

Iejoor is jarig, maar niemand die het weet. Hij moet Poeh er zelf op attent maken, waarna die samen met Knorretje snel naar huis gaat om een cadeautje voor het arme dier te halen. Poeh neemt een pot honing mee, maar krijgt onderweg honger en eet de honing op. Knorretje pakt een ballon, maar in zijn haast struikelt hij halverwege en de ballon knapt. Daar staan zij nu, beer en varkentje, met een lege pot en een geknapte ballon. In het somberste hoekje van het woud. Waar een grijze, oude ezel op een distel staat te kauwen en het leven overdenkt. Maar zie, voor de ogen van de Troostlezer voltrekt zich het wonder. Of in de woorden van Milne:

When Eeyore saw the pot, he became quite excited. ‘Why!’ he said, ‘I believe my balloon will just go into that pot!’
Oh, no, Eeyore,’ said Pooh, ‘Balloons are much too big to go into pots. What you do with a balloon is, you hold the balloon…’
‘Not mine,’ said Eeyore proudly. ‘Look Piglet!’ And as Piglet looked sorrowfully round, Eeyore picked the balloon up with his teeth, and placed it carefully in the pot; picked it out and put it on the ground; and then picked it up again and put it carefully back.
‘So it does!’ said Pooh. ‘It goes in!’
‘So it does!’ said Piglet. ‘And it comes out!’
‘Doesn’t it?’ said Eeyore. ‘It goes in and out like anything.’ 

Sadder and wiser. De bitterzoete troost van de ezel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s