Aardige jongens

De Troostlezer verwelkomt een mooie verkoudheid als een goede vriend. Niet gedoucht, slobbertrui, hoekje van de bank, zakdoeken, thee met koekjes, en Patrick Modiano, de perfecte schrijver voor een lichte verhoging.
Waarom? Laten we om te beginnen vaststellen dat voor de Troostlezer kenmerken als stijl, schoonheid, montage of regie geen rol spelen. Althans, voor eventjes niet. Moeiteloos schakelt hij over van pulp naar literatuur en vice versa, en van het ene register naar het andere. Zoals een troosteter ’s middags een lichte lunch tot zich kan nemen, een salade met gerookte wilde zalm, om zich ’s avonds te buiten te gaan aan witte boterhammen met sandwichspread.
Goed, als we zaken als stijl, toon en vakmanschap, die Modiano overigens meesterlijk beheerst, buiten beschouwing laten, wat maakt zijn boekjes dan tot de top van de troostlectuur? Het argument dat een roman je zo in zijn greep kan hebben dat je het niet kunt wegleggen, is nog steeds weinig salonfähig. De opmerking dat een boek een geheel eigen wereld wist te scheppen waarin je als lezer met genoegen ronddoolde, of dat je het met spijt in je hart voor de laatste keer dichtsloeg, riekt teveel naar het kinderboek of de keukenmeidenroman. Het is een veronachtzaamd argument, een genegeerd aspect in de beleving van het lezen, en ik vraag mij af waarom. Hoe dan ook, het raakt de kern van het Troostlezen en de boeken van Modiano voldoen geheel op dit punt.
De vorige keer hadden wij het over Avonturen in de Stille Zuidzee van Willy van der Heide, en over de hoofdpersonen uit zijn Bob Evers reeks. Hoeveel anders zijn de hoofdpersonen uit de boeken van Modiano eigenlijk? Jongens zijn het, ‘aardige jongens’, om niet alleen Nescio, over wie later in deze serie meer, maar ook de titel van een van Modiano’s eigen boeken (De ci braves garçons, in Nederland uitgebracht als Aardige jongens), te citeren. En even leeftijdsloos als Bob Evers, Arie Roos en Jan Prins. Ook de wereld van Modiano, en ik weet dat ik hem hier tekort doe, is er een van een eeuwigdurende schoolvakantie en van ledigheid, tot zich plotseling een nieuw avontuur aandient, al veroorzaakt dat bij hem zelden meer dan een rimpeling in het oppervlak van het leven. Bij elke keer dat ik ze herlees, wordt ik weer gegrepen door zijn boekjes, die zich eigenlijk net zo gemakkelijk aaneen laten rijgen tot een serie als de deeltjes van Van der Heide. Ik smul van de manier waarop de hoofdpersonen, die nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden, hun dagen vullen met schimmige bezigheden, of gewoon met niets. Jongens zijn het, niet aan huis en haard gebonden, verblijvend in half ontruimde woningen die niet van henzelf zijn, die soms een auto lenen, of er gewoonweg een tot hun beschikking hebben, net als een zekere hoeveelheid geld en een koffer met wat bezittingen. Elke keer weer slenter ik aan hun zijde door de straten van een Parijs’ arrondissement, hang ik rond in verlaten cafés, breng ik dagen door in badplaatsen en kuuroorden, buiten het seizoen uiteraard. Misschien wel het mooist vind ik de momenten waarop de hoofdpersoon dankzij een rij oude telefoonboeken – waar halen zij die vandaan, die oude telefoonboeken, waar vind je die? – op het spoor komen van een figuur uit het verleden, een verleden dat veel ouder lijkt dan zijzelf zijn.

‘Het is donker buiten en de opaalglazen lamp van het kantoor werpt een fel schijnsel op het leer van het bureau van Hutte. Ik zit achter dat bureau. Ik werk oude en ook recentere adresboeken door en noteer onderhand mijn ontdekkingen: Howard de Luz (Jean Simety) en echtgenote, geboren Mabel Donahue (…) De societygids waarin dat vermeld staat, is van zo’n dertig jaar geleden. Gaat het om mijn vader? (…) Vervolgens raadpleeg ik de telefoonboeken van Parijs van de laatste tien jaar. De naam Howard de Luz komt er steeds op deze manier in voor: Howard de Luz C. Een broer? Een neef?’

Hoewel tijd als thema zeer belangrijk is in Modiano’s werk, worden zijn boeken gekenmerkt door een hoge mate van tijdloosheid en ook bij hem is er weer sprake van een besloten wereld, met eigen wetten en regels. Het is een wereld die bestaat uit verlaten plaatsen, lege huizen, donkere winkels, telefoonboeken en foto’s: een reeks woorden die bijna eenzelfde gevoel bij mij voortbrengen als het rolletje touw, twee houtschroeven, een stompje potlood en een blauwstalen handboortje van Bob Evers, Jan Prins en Arie Roos.
Er zit minder verschil tussen Avonturen in de Stille Zuidzee en Aardige jongens dan je op het eerste gezicht zou denken. Op een zeker moment in ons leven jagen wij geen boeven en schatten meer na, maar zijn wij alleen nog op zoek naar een schim uit het verleden, of naar onszelf. Waar de melancholie en het heimwee bij de boekjes van Van der Heide in the eye of the beholder zitten, worden geboren in de lezer die hen op latere leeftijd herleest, daar zitten ze bij Modiano in de teksten zelf. Voor de Troostlezer maakt dit echter niet zo veel uit. Voor hem is het boek en de handeling van het lezen veel meer een toegangspoort tot de wereld die er, bedoeld of onbedoeld, achter schuil gaat. Een wereld waarin hij voor zekere tijd wil schuilen.
Net zo lang totdat zijn verkoudheid over is.

Advertenties