Vorige maand zag ik een lepelaar. Zo maar. In het watertje langs de weg die ons wijkje met het volgende verbindt. Ik stopte met fietsen, stapte af en keek toe hoe de vogel met zijn snavel door het water roerde, alsof hij iets verloren was.
Ik woon aan de rafelrand van de stad. De weg waarover ik reed gaat na ons wijkje over in een dijkje, dat zich door een oud en intiem polderlandschap slingert dat de laatste jaren stukje bij beetje tot natuurgebied wordt gemaakt. Nu zijn wij wel iets gewend waar het fauna betreft. Elke ochtend schieten de fazanten onder het slaken van hun schorre roep bij wijze van spreken onder mijn voorwiel vandaan. Het water- en weidegebied wordt in het voorjaar bewoond door scholeksters, kieviten, futen, grutto’s en tal van eenden- en ganzensoorten die ik nog altijd niet uit elkaar kan houden. Laatst zag ik een aalscholver in zijn karakteristieke houding met zijn vleugels wijd op een paaltje zitten. Het schijnt dat zij zo hun vleugels drogen, al houd ik altijd het idee dat zij te veel naar de Pterodactylus uit Jurassic Park hebben gekeken. Niets dan goede berichten dus en als ik op de fiets naar Amsterdam rijd, moet ik altijd denken aan de boswachter die op een avondwandeling door de Achterhoek verzuchtte dat hij geen fazanten meer zag sinds de boeren van graan op maïs waren overgegaan.
Maar toch, voordat het poldertje tot natuurgebied werd gemaakt, zaten er kleine boerenbedrijfjes aan het dijkje. Ik ging er met mijn zoontje naar de lammetjes en kalfjes kijken, wij gaven de paarden brood en ’s avonds als wij in de tuin zaten hoorden wij de schapen blaten. Het was een volkomen natuurlijk gebied waar wij niet alleen de kleine keuterboer maar ook de seizoenen aan het werk zagen en waar ik mijn zoontje probeerde te leren dat er niets zo leuk is als het kijken naar een boer die aan het hooien is. Al deze bedrijfjes zijn de afgelopen jaren uitgekocht. En ik mis ze.
Iets is pas natuur in Nederland als er een pad doorheen loopt en hooglanders grazen. Ik fietste laatst door een parkje aan de rand van Amsterdam, ingeklemd tussen de A4 en het Nieuwe Meer. De zon scheen, de berm was getooid met schuimkoppen van Fluitekruid en ik fietste er zo onverwacht plezierig dat ik bijna het geraas van het verkeer over de A4 vergat. Ik passeerde een wildrooster, wat mij natuurlijk had moeten alarmeren, en geheel onverwachts vond ik toen weer zo’n langharig beest op mijn pad. Ik vond het een tikje overdreven voor de omvang van dit stukje natuur: hoeveel van deze dieren liepen er eigenlijk rond in dit achtertuintje van een ambitieuze stadsdeelraadbestuurder?
Ik hoorde de term ‘Theme park’ voor het eerst uit de mond van Joe, een gepensioneerde Amerikaan uit San Fransisco, die ik ontmoette op een wandeling door Yorkshire. De helft van het jaar bracht hij door met wandelen. Meestal in Groot-Brittannië. Met bewondering keek ik naar zijn rugzak die veel kleiner was dan die van mij. Zo lang onderweg en zo weinig bagage: Joe was een pro. Wij hadden het erover hoe het platteland van Europa ontvolkt raakte en tijdens dat gesprek hoorde ik de term voor het eerst. ‘De natuur wordt hoe langer en meer een soort Theme Park,’ zei hij. Dat was twaalf jaar geleden. Een thema park. Om te laten zien hoe het ooit geweest is. Of hoe het nog langer geleden geweest is. Of hoe het nooit geweest is maar eigenlijk had moeten zijn. Of hoe het geweest zou zijn als wij er niet waren geweest.
Aan de rand van de stad stuit je op een Schotse Hooglander, maar een gewone koe in een gewone wei is een steeds grotere zeldzaamheid.

Advertenties