Het was op de dag dat God Zelf Zijn levenswerk van een naam voorzag. Met wollige, witte letters schreef Hij hem op het hemelsblauwe doek, onder het voortbrengen van het zacht brommende geluid van een vlieg, gevangen tussen de vitrage en het raam van het zomerhuisje. We lagen in de kom van een duin, op onze rug in het warme zand, schermden met een hand onze ogen af tegen de zon en keken toe hoe de letters aan de wolkenloze hemel verschenen, een voor een, met sierlijke rondingen: Lexington.
    Het was misschien wel de warmste dag van de vakantie. Het zand schitterde, deed pijn aan onze voeten en ogen en boven de duinen steeg de lucht trillend op naar een hemel die uitgewrongen boven ons hing. Sylvie lag links van mij. Rechts verloor Marcel na een tijdje zijn aandacht, of geduld, en ging verder met het verzamelen van schelpen, die hij in een zak van doorzichtig plastic stopte en daarna tussen zijn worstenvingertjes vermorzelde, iets wat hij al drie weken deed. Elke avond strooide hij zijn oogst van de dag uit over het paadje naar het betonnen huisje. Om een schelpenpad te maken. Ik zei hem dat hij ze ook heel kon neerstrooien, breken zouden ze toch wel onder onze voeten, maar hij beweerde dat dit beter was.
    Lexington.
    We staarden naar de hemel, Sylvie en ik. Brommend maakte het vliegtuigje zijn laatste bochten en verdween toen uit het zicht. Ik verbeeldde me dat ik de windvaan op de spits van de kerk, een schip was het, een galjoen met twee paar bolle zeilen, hoorde knarsen en piepen als de wind hem in beweging bracht.
    Toen de witte wolkenletters langzaam verwaaiden, richtte Sylvie zich naast mij op. Ze rekte zich uit en strekte haar armen. Haar schaduw gleed over mij heen. Vanuit haar vuist liet ze een dun straaltje zand in mijn navel lopen, waar het een puntig heuveltje vormde.
    ‘Even wat zout op mijn zachtgekookt eitje doen,’ zei ze.
    Ik zag restjes van de X, de N, de G en de T uiteendrijven, hoorde Marcel zijn schelpen kraken en de windvaan knarsen en piepen, als een schip dat aan zijn ketting trekt. Toen draaide ik me op mijn zij en keek naar haar. Naar haar vuist, waaruit nog steeds zand stroomde, naar haar arm, haar schouder, de oranje bikini die zij droeg. Naar haar hals en het met fel zonlicht omgeven silhouet van haar gezicht.
    ‘Je loopt leeg,’ zei ze en wees op het zand dat uit mijn navel langs mijn buik naar beneden liep. En ik dacht dat ze gelijk had. Dat ik langzaam leegliep. Als een gevulde lappenpop.
    Op de dag dat God Zijn handtekening aan de hemel zette.
    Toen gebeurde het.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s