‘Dromen komen nooit uit, en zodra we zien dat ze verbrijzeld zijn, begrijpen we opeens dat de grootste vreugden van ons leven buiten de werkelijkheid liggen. Zodra we zien dat onze dromen verbrijzeld zijn, worden we verscheurd door heimwee naar de tijd dat ze nog in ons gloeiden. Ons levenslot bestaat uit deze wisselwerking tussen hoop en heimwee.’
Aan het woord is hier Natalia Ginzburg, de grote kleine schrijfster uit Italië.
Hoop en heimwee. Zijn dat misschien de twee polen waardoor de Troostlezer beurtelings aangetrokken wordt? En maken die dat wij de ene keer vluchten naar vertroosting biedende avonturen, de ‘vreugden die buiten de werkelijkheid liggen’, en de andere keer leniging zoeken in gedeelde weemoed?
Natalia Ginzburg (1916-1991) is de schrijfster van een aantal niet alleen in omvang kleine romans en novellen. Bescheiden proza, is het wel genoemd, opgebouwd uit dialogen en korte zinnen, zonder veel omhaal, met een minimum aan bijvoeglijke naamwoorden, laconiek van stijl, zacht van stem.
Zo is het gebeurd. Valentino. De weg naar de stad. De stemmen van de avond. Lieve Michele. Familielexicon. Is er nog iemand die ze leest?
Vervreemding en eenzaamheid, dat worden vaak haar thema’s genoemd. Maar de sleutel tot haar werk is toch eerder te vinden in bovengenoemd citaat. Dromen die niet werkelijkheid willen worden. Hoop en heimwee.
De personages in haar romans en verhalen lijken te wachten op iets dat gebeurt, iets dat hun leven zin zou kunnen geven, of zijn dat wachten al voorbij. Haar werk ademt een pijnlijk indringende sfeer van leegte, weemoed, eenzaamheid en, nou ja vooruit, vervreemding. Maar dan zonder te vervallen in gemakkelijk pessimisme, zonder larmoyant of zwaar te worden – precies zoals de Troostlezer het wil. Opgewekt pessimisme, staat er altijd op de flaptekst van haar boeken te lezen en misschien is het wel zoiets, ja.
Opgewekt pessimisme. Licht gemaakte melancholie. In een onopgesmukte stijl. Zonder grote woorden. Verteld met een fluisterstem. Terloops. In een kalm tempo, maar met veel raffinement. De schrijver bewondert, de Troostlezer smult.

‘Mijn broer studeerde medicijnen en had altijd geld nodig, nu eens voor een microscoop, dan weer voor boeken of inschrijfgeld. Vader dacht dat hij een groot man zou worden. Misschien was daar geen enkele reden voor, maar hij geloofde dat nu eenmaal vanaf dat Valentino een kind was, en nu was het misschien moeilijk voor hem om die gedachte op te geven.’

Ergens tussen heimwee en hoop ligt verzoening. Misschien.