Afgelopen weekend naar de tentoonstelling Amsterdam Nieuw-West ’50-’60 in het Stadsarchief Amsterdam geweest. Een fascinerende, vertederende en weemoedig stemmende tentoonstelling over de wijken Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse Veld en Osdorp, die op basis van het Algemeen Uitbreidingsplan van Cornelis van Eesteren uit 1934 in de jaren vijftig en zestig werden gerealiseerd.

Toch hadden de makers van de tentoonstelling naar mijn smaak iets meer distantie tot het onderwerp moeten betrachten. En zich, anders dan de argeloze bezoeker, minder moeten laten meevoeren door vertedering en weemoed. Er valt wel iets meer over dit deel van Amsterdam te zeggen dan ‘Ook tegenwoordig is Nieuw-West nog steeds een bijzondere wijk’.

Aan de andere kant begrijp ik die emotie wel. Het is moeilijk om niet gegrepen te worden door de goede bedoelingen waarmee de wijken destijds werden ontworpen, gerealiseerd en bewoond. En stiekem te verlangen naar de naïviteit waarmee dat, bezien vanuit het perspectief van vandaag de dag, gepaard ging.

Anders dan vele bezoekers die zaterdag samen met mij de foto’s en filmpjes bekeken, ben ikzelf geboren noch getogen in Nieuw-West. Wij woonden aan de rand van het oudere deel van Overtoomse Veld en waren van het nieuwe deel gescheiden door Het Landje, een braakliggend stuk grond dat in de loop der jaren langzaam maar zeker de vorm aan zou nemen van het huidige Rembrandtpark, maar dat ook toen door de mensen uit de buurt nog lange tijd bij zijn oude naam genoemd zou blijven worden. Het was een terrein vol omhoog geschoten gras, groepjes bomen en onbetrouwbaar water, begrensd door het machtige silhouet van een dijk, waarvan de oorsprong, functie en toekomst voor ons kinderen volkomen duister was, maar die daar niettemin op volkomen natuurlijke wijze oprees, als een variant op de muur van Hadrianus. Een bijna mythische plek, die het toneel van onschuldig kinderspel kon zijn, maar ook zomaar elk moment kon omslaan in een terrein vol dreiging en onbegrepen gevaren. Dat kwam vooral door die grens, de dijk, die ons, misschien wel zoals alle grenzen, niet een gevoel van veiligheid gaf, maar juist een van een voortdurend dreigend gevaar, alsof zich op de dijk elk moment het silhouet van een naderende vijand kon aftekenen.

Alles wat zich daarachter bevond noemden wij Nieuw-West, een naam die zowel hoop en optimisme als vrees en vijandigheid uitstraalde. Het gebied zelf kenden wij niet en ook de bewoners, die met dezelfde naam Nieuw-West werden aangeduid, waren ons niet bekend. Toch gonsde een paar keer per jaar het gerucht door de buurt dat er tegen Nieuw-West gevochten ging worden, waarbij wij, zonder dat wij onszelf ooit zo noemden, Oud-West waren en het strijdtoneel, hoewel ook dat geen enkele keer hardop werd uitgesproken, vanzelfsprekend Het Landje zou zijn. Met een verhit hoofd en wild kloppend hart renden wij dan heen en weer, kwamen samenzweerderig bij elkaar en deelden elkaar ernstig mede dat het dit keer toch echt op vechten uit zou draaien. We bedachten listen en hinderlagen, maakten wapens en verzamelden bondgenoten om ons heen. Het was een campagne die, hoezeer hij ons ook kortstondig in zijn greep had, uiteindelijk tot niets leidde. Nooit ben ik getuige geweest van enige vechtpartij. Nooit heb ik iets teruggezien van de voorbereidingen die wij troffen, of zelfs maar verhalen gehoord van hen die uit het strijdperk waren teruggekeerd.

Wellicht heeft zich ooit werkelijk iets afgespeeld op het Landje, dat zich als een natuurlijke grens en een betwistbaar gebied tussen de twee delen van de stad uitstrekte. Maar misschien is dat ook wel nooit gebeurd en zijn nieuwsgierigheid en vrees alleen al voldoende geweest om het vijandbeeld van Nieuw-West en haar bewoners te creëren en het halfjaarlijkse gerucht over het gevecht te voeden, tot lang nadat Nieuw-West niet zo nieuw meer was en de tuinsteden onze nieuwsgierigheid niet meer konden opwekken.

Zonder dat ik me dat bewust was, had ik Nieuw-West al vele malen betreden en doorkruist. Als wij een tante gingen opzoeken die ergens in een flat bij de Jan van Galenstraat woonde. Of wanneer ik met mijn vader op een vroege zaterdagochtend naar een van de sportparken aan de rand van de stad toog om daar mijn voetbalwedstrijd te spelen. Toch was het pas toen ik naar de middelbare school ging dat ik Nieuw-west werkelijk zag.

Het Cartesius Lyceum, de school die ik bezocht, stond aan de Piet Mondriaanstraat. Het gebouw is er in de vijftiger jaren neergezet, de periode waarin het land achter de ringdijk werd opgespoten, bebouwd en bewoond. De Piet Mondriaanstraat zelf was, en is, een kort en smal straatje, waarmee een van ’s lands meest beroemde zonen te weinig eer wordt aangedaan. Toch kan zijn naam staan voor de hele buurt, of het gehele Algemeen Uitbreidingsplan van Van Eesteren waarop de Westelijke Tuinsteden zijn gebaseerd, een plan dat niet alleen stevig was geworteld in de beginselen van het modernisme en de Stijl, maar dat met zijn rechthoekige patroon, heldere kleuren en strakke vormen ook volgens die principes vorm had gekregen. Met een beetje goede wil is de buurt op te vatten als een weergave van een van Mondriaans schilderijen, laten we zeggen een dorpse variant van zijn Broadway Boogie Woogie.

Een verwacht tekort van meer dan honderdduizend woningen had in de dertiger jaren ten grondslag gelegen aan het oorspronkelijke plan. Het was een optimisme geweest dat ontwerpers en tekenaars in die jaren had geïnspireerd, een geloof in vooruitgang en verheffing, woorden die opiniemakers en bewindvoerders toen nog in de mond durfden te nemen en waar het volk zich nog door aangesproken voelde. Tuinsteden moesten het worden, eengezinswoningen ingebed in een groene omgeving, bestemd voor alle bevolkingscategorieën, arbeiders incluis. Toen het plan na de tweede wereldoorlog in de wederopbouw nieuw leven werd ingeblazen, noodzaakten de schaarse middelen een aanpassing van de tekeningen. Er werd gekozen voor goedkopere oplossingen, meer middelhoogbouw en een huur die in veel gevallen te hoog was voor de arbeidersgezinnen die men oorspronkelijk als bewoners voor ogen had gehad. Toch waren de tuinsteden in de jaren vijftig en zestig de wijken geworden waar zowel beleidsmakers als bewoners van hadden gedroomd: een toonbeeld van de verworvenheden van de woningwet, een demonstratie van licht, lucht en ruimte, vormgegeven in beton, staal en formica, modern, vooruitstrevend en doortrokken van vooruitgangsdenken.

Hoewel inmiddels al danig aangetast en verflauwd, hing datzelfde gevoel en geloof in de eerste helft van de jaren zeventig nog enigszins rond de huizen en in de straten. Of misschien moet ik zeggen dat het in ieder geval nog in ons huisde, de kinderen die zich daar op mijn eerste schooldag onderaan de trap van het Cartesius Lyceum hadden verzameld. Zonder dat wij ons dat bewust waren zat het in onze lichamen, ons vlees, onze geest en onze herinneringen. Het was een wonderlijk lot, een dat ik pas veel later zou begrijpen, een gril van de geschiedenis, of een stuiptrekking misschien wel, dat ons daar bij elkaar had gedreven aan de voet van de brede trap die naar de ingang leidde. Ik had het toen nog niet in de gaten. Soms trof mij een overeenkomst tussen onze ouders, maar het was pas veel later, toen wij de middelbare school al lang hadden verlaten, dat ik mij begon af te vragen welk vreemd lot ons daar bijeen had gebracht. Wij waren allen afkomstig uit de lagere middenklasse, geen van onze ouders had gestudeerd. Onze vaders werkten op kantoor of oefenden, zoals mijn vader, hun hele leven lang hetzelfde ambachtelijke beroep uit. Zij waren oud, bijna zonder uitzondering geboren in de jaren twintig en dertig, en de meesten van ons hadden broers en zussen die ouder waren dan wijzelf. Onze levens en achtergronden kenden een gemeenschappelijk patroon. Onze ouders waren in de jaren vijftig de binnenstad ontvlucht. Net getrouwd en in verwachting van hun eerste kind waren zij op zoek gegaan naar de rust, de ruimte, het licht en de schone lucht van de buitenwijken van de stad. Jonge gezinnen waren het met één kind, die daar later nog een tweede en soms een derde kregen, in die rozerood getinte wijken, waar de VARA-gids in de brievenbus viel en Het Parool gelezen werd, ontkerstend, maar met een heilig geloof in de vooruitgang en verheffing van het volk, waarvan zij zelf het levende bewijs waren. Mijn medeleerlingen en ikzelf, wij waren de vruchten die dit optimisme had gebaard en zoals het Cartesius Lyceum, waarvan de geschiedenis samenviel met de onze, bekend stond als de trots van Amsterdam-West, zo golden ook wij als het beste dat deze burgerlijke oorlogsgeneratie had voortgebracht.

Dat wij tevens het laatste waren dat deze generatie voortbracht, beseften wij nog veel later pas, toen de mentaliteit waarop dit deel van Amsterdam was gefundeerd inmiddels was uitgestorven, of haar stem in ieder geval verstomd, en alleen haar echo nog zacht weerklonk in ons hoofd en lichaam, als een altijd wenkend, weemoed oproepend gefluister dat wij wel voelden, maar niet verstonden.

Het is een geluid dat, als ik mijn ogen dichtdoe, de vorm aanneemt van de klanken van het radioprogramma In de Rooie Haan van de VARA, dat voor mij onlosmakelijk met deze buurt is verbonden. Op zaterdagmiddagen daalden de stemmen van de presentatoren, zangers en cabaretiers uit de ramen van de huizen neer. Felix Meurders, Wim Bosboom, Hennie Stoel, Jack Gadellaa, Nelleke Burg. Hun stemmen klonken op uit de openstaande deuren van de auto’s die werden gewassen, van de balkons, waar kleine transistorradiootjes op de rand van de balustrade stonden en hun antennes eigenwijs de lucht in prikten. Ze zweefden door de straten, landden op het plaveisel, om weer op te waaien als er een auto langskwam. De interviews waarin politici het vuur aan de schenen werd gelegd, de grappen aan de stamtafel, de liedjes, het is alsof de huizen in de buurt ze nog herinneren, alsof de stenen hun stemmen in hun binnenste hebben opgeslagen, zoals zij de warmte van een zomerdag opslaan om die in de schemering zoetjesaan weer prijs te geven, en ik weet zeker dat als ik mijn oor er tegenaan zou leggen, ik ze nog kunnen horen, zachtjes, ver weg.

Het gebouw van mijn middelbare school staat er nog en ziet er nog min of meer hetzelfde uit als in mijn tijd. De naam daarentegen is niet meer dezelfde. Een aantal jaren na mijn eindexamen werd die veranderd in Mondriaan Lyceum en tegenwoordig is er volgens mij een VMBO-afdeling van het Esprit College in gehuisvest. Net als de naam is de buurt veranderd en met zijn bewoners ook de leerlingen. Een cynicus zou kunnen zeggen dat de huizen nu eindelijk de bewoners hebben gekregen waarvoor ze waren bedoeld. Maar hoelang zullen de huizen er nog staan? Een deel is al afgebroken, een ander wordt dat op dit moment. Historici bestempelen de plannen als een aantasting van een cultuurgoed, van het monument dat het Algemeen Uitbreidingsplan volgens hen in zijn geheel is.

Ik weet niet zeker of de sloop nu echt zo betreur. Wat mij meer aan het hart gaat is het uitdoven van de goede bedoelingen waarmee de plannen ooit zijn opgezet. De Trots van Amsterdam-West stond een paar jaar gelden bekend als de voormalige school van Public Enemies Number 1 Mohammed B. en Samir A.

Goede bedoelingen. Geloof in vooruitgang en verheffing. Nu, in de tijd waarin we nu leven. Daar had de tentoonstelling iets meer over mogen gaan.

 

Advertenties

2 gedachtes over “Goede bedoelingen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s