Blog

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (15)

Ik geloof dat alle kranten en nieuwsmedia de afgelopen dagen melding hebben gemaakt van zijn dood. Het zal u dus waarschijnlijk niet zijn ontgaan dat afgelopen vrijdag de acteur Adam West in Los Angeles is overleden. Mocht de naam u nog hebben doen fronsen – Adam Wie? – de foto die bij het bericht werd geplaatst was bekender dan zijn naam: Aah, Batman!

West speelde de rol van de caped crusader in de tv-serie die tussen 1966 en 1968 in de VS te zien was en rond diezelfde tijd ook de Nederlandse televisie haalde. In de necrologieën die dit weekend verschenen vielen veelvuldig de termen ‘camp‘ en ‘pop-art‘. Niet zonder reden, maar gelooft u mij, voor de generatie kinderen waartoe ik behoor had de serie niets met camp te maken, als we al geweten hadden wat de term inhield. Net als de strips was de serie spannend en – ja, ik weet eigenlijk geen andere woorden te bedenken dan ‘cool‘ en ‘gaaf‘. Welke woorden hadden wij kinderen in de jaren zestig tot onze beschikking om deze eigenschappen aan te duiden? Het enige dat me zo snel te binnen schiet is ‘blits‘.

Er figureerde echter nog een andere Batman in mijn jeugd, een Batman wiens naam veel bekender is geworden dan die van Adam West en waarvan de koppeling met een optreden als superheld is vervaagd tot een flauwe herinnering van een handvol vijftigers. Ik heb het over Joop van den Ende.

Alvorens hij bekendheid en rijkdom verwierf als theater- en televisieproducent was Van den Ende een weinig succesvol variété artiest. Hij trad op als clown Tako, was conferencier en bestierde een feestartikelenwinkel. Samen met buikspreker Piet Groenendaal, artiestennaam Peter Grooney, in de rol van Robin en accordeonist en entertainer Ger Atsma als de Raadselman trok Van den Ende in de tweede helft van de jaren zestig als Batman langs allerhande feesten, partijen en verenigingen.

Zo deed het trio ook het kampeerterrein in het Gooi aan waar mijn ouders een zomerhuisje hadden en waar ik de zomers van mijn jeugd heb doorgebracht. Gezinnen uit de grote stad probeerden daar te vinden wat de stad hen niet kon bieden: rust, ruimte, groen, schone lucht. Er werden voor jong en oud tal van activiteiten georganiseerd op het gebied van sport, spel en ontspanning. Het was een kleine gemeenschap die daar elk jaar neerstreek, afkomstig uit de grootstedelijke arbeiders- en middenklasse. Vanuit een merkwaardige, aandoenlijke mengeling van idealisme en consumptisme, waaruit het eerste met de jaren steeds meer verdween en het tweede steeds groter werd. Mijn Paradijs – compleet met zondeval.

Daar traden Batman en Robin op. In een in elkaar getimmerd decor, voor een op een grasveld verzamelde jeugd waartussen ook ik mij bevond. Van de voorstelling herinner ik mij niet veel, behalve dat ik hem fantastisch vond. Dat en één grap. Eén legendarische grap. Een grap die ik de allerbeste grap vond die ik ooit had gehoord, die ik nog heel lang te pas en te onpas zou herhalen en waarvan ik me niet kon voorstellen dat hij ooit zou worden overtroffen door een betere. Een grap die ik later, veel later, zou bijzetten in mijn vitrinekast met memorabilia en die tot op de dag van vandaag een zekere glimlach op mijn mond doet verschijnen.

Het is Robin die in hun strijd tegen de schurkachtige Raadselman een list verzint om de boef te snappen.
Hij steekt zijn hand op. Priemt zijn wijsvinger in de lucht. Buigt zich licht voorover naar het publiek dat hem verwachtingsvol aankijkt en roept: ‘Ik heb een idee!’
Waarop de rijzige Batman droogkomisch reageert: ‘Alweer een?’

Het kampeerterrein bestaat niet meer. Joop van den Ende is dit jaar 75 geworden. Peter Grooney was tot voor kort met zijn buikspreekpop Charlie nog de kompaan van clown Bassie. Ger Atsma speelde in 1976 matroos Wiebe in Peppi en Kokkie bij de marine en stopte een paar jaar geleden met optreden. Adam West is vrijdag op 88-jarige leeftijd overleden.

 

Advertenties

De hand van Kluivert

Vrouwlief pleegt jarig te zijn in de dagen dat doorgaans de Europese voetbalfinales worden gespeeld. Nu was dat een groot aantal jaren lang niet echt ter zake doende voor de gemiddelde Ajaxfan. Ooit, lang geleden, was er een tijd dat dit anders was. En uitgerekend dit jaar, nu we het feit herdenken dat het 25 jaar geleden is dat we zo’n finale speelden, lijkt het er sterk op dat we dat opnieuw gaan doen. Op 24 mei, in Stockholm. Op de verjaardag van mijn lief.

1995 is een memorabel jaar. Niet alleen omdat Ajax de Champions League won, maar ook omdat die zomer onze zoon werd geboren. Ook dat jaar vond de finale plaats op 24 mei. Vieren deden we haar verjaardag een dag later, op Hemelvaart. Iedereen vrij, dachten we, lekker makkelijk. We wisten toen nog niet dat Ajax de finale zou winnen. Of dat op die dag de huldiging op het Museumplein zou zijn.

We woonden in die tijd in de Johannes Verhulsstraat, in Amsterdam-Zuid. Het was een zomerse dag en met de visite volgden we op tv de aankomst van Ajax op Schiphol, de beelden van het Museumplein en de bustocht van de spelers van de luchthaven naar het plein. De route van de bus ging door de De Lairessestraat, bij ons om de hoek. Ik kan mij niet meer goed herinneren hoe het kwam of wie de aanstichter was, maar op een gegeven moment spoedde een aantal van ons, aangestoken door de koorts die al vierentwintig uur door de hoofdstad rondwaarde, zich naar buiten naar de De Lairessestraat. Mijn vrouw, hoogzwanger, mijn nichtje – wie waren het nog meer? Ik was er in ieder geval niet bij. Uit beleefdheid bleef ik in onze huiskamer, bij de overige gasten, en volgde de beelden op tv.

Die glorieuze meidagen rond de finale hebben ons een groot aantal iconische beelden opgeleverd. Het puntertje van Kluivert, bijvoorbeeld, of de karatetrap van Van Gaal. Het op een na mooiste moment, dat ik alleen via de tv meekreeg, was toen die zilveren Boeing aan de hemel boven het Museumplein verscheen en iedereen daar verzameld even de adem inhield. Toen als door een en hetzelfde zenuwstelsel bestuurd vijftigduizend hoofden omhoog gingen en twee keer zoveel ogen de vlucht volgden van het glinsterende wezen dat door het luchtruim gleed. Voor een fractie van een seconde lag dezelfde vraag op al die lippen, een vraag die meteen daarna beantwoord werd door de glanzende vogel zelf, die met de macht en gratie van een opperwezen een groet bracht door in een triomfantelijk gebaar met zijn vleugels te zwaaien. Een saluut dat vanaf de aarde werd beantwoord met een schreeuw die uit één keel leek te komen, met honderdduizend armen die de lucht in gingen en een zwaaien van tientallen rood-witte vlaggen.

Maar van alle mooie, ontroerende en onvergetelijke beelden waarmee de herinneringen aan die dagen zijn omkleed, is er toch een de allermooiste. Dat was toen ik staand op ons balkon beneden mij in de straat ons kleine groepje afgezanten terug zag komen. Wie waren het ook al weer? Mijn nichtje ja, zij in ieder geval, en mijn hoogzwangere vrouw. Ze renden, allemaal, met een blos op de wangen en nog koortsiger van opwinding dan zij waren vertrokken. Mijn vrouw had een blouse aan waarvan zij de knoopjes al enige tijd niet meer dicht kreeg en een T-shirt waaronder haar buik opbolde alsof ze er de wedstrijdbal onder had verstopt. Terwijl ze over het asfalt van de Johannes Verhulsstraat rende, kreeg ze mij in de gaten, en zonder stil te houden, met haar buik op en neer dansend voor haar uit, riep ze naar boven: ‘Ik heb Patrick Kluivert een high five gegeven.’

Een maand later werd onze zoon geboren. Ik zou kunnen zeggen dat door die hand de geest van Kluivert in mijn zoon is gevaren. Maar hoe lief hij mij ook is, over diens talent beschikt hij niet. De liefste jongen van de hele wereld zat gisteravond op een kleine dertig kilometer van mij vandaan tv te kijken. Gescheiden van elkaar aanschouwden wij die wondere wedstrijd en probeerden append de afstand te overbruggen en emoji’s te vinden die onze verbazing en euforie enigszins konden uitdrukken.

De zoon van Kluivert viel in, in de negenzeventigste minuut. Vrouwlief stond op de tennisbaan.

Als zij rent krijgt haar gezicht nog steeds diezelfde rood-witte kleur die het ook tweeëntwintig jaar geleden had.

Met voorbedachten rade

erna-en-daan

Vanmorgen scheerde ik mij weer met mijn oude Philishave. Omdat het nieuwere exemplaar dat wij samen deelden, gisteren met mijn zoon is meegegaan.

’t Is even wennen.

Gisteravond stuurde hij een berichtje waarin hij vroeg of zijn rugzak met laptop nog bij ons stond. Het ding bleek nog in onze slaapkamer te staan. Waarop hij zei dat hij het vandaag kwam halen.

Ik verdenk zijn moeder ervan dat ze het met opzet heeft gedaan.

Zelf ontkent ze dat ten enenmale.

 

Van jonge helden, de dingen die voorbij gaan (14)

daan-van-golden

De eerste keer dat ik kennismaakte met het werk van Daan van Golden was in 1987. Amsterdam was dat jaar culturele hoofdstad van Europa en had ter gelegenheid daarvan de tentoonstelling Century 87 georganiseerd. Onder het motto ‘Kunst van nu ontmoet Amsterdams verleden’ werden stad en beeldende kunst op een dertigtal locaties bij elkaar gebracht. Ik ben 25, studeer psychologie en mijn lieve nichtje M. logeert bij mij. Samen met haar ga ik naar de Hortus waar Van Golden de paden bedekt heeft met een laag azuurblauwe kiezels. Aqua Azul, zo heet de installatie. Het is een prachtig effect, die hemelsblauwe paden die als rivieren door de groene tuin cirkelen. Ik maak er foto’s van, maar heb – heel artistiek – een zwart-wit rolletje in mijn camera.

In 1991 bezoek ik een overzichtstentoonstelling van zijn werk in het Stedelijk Museum. Ik houd ervan, al kan ik slecht uitleggen waarom. Van Golden is een conceptueel kunstenaar en tegelijkertijd een estheet: twee dingen die zelden samengaan. Soms streng, rigide en uiterst cerebraal. Op andere momenten lyrisch op het banale af. Maar altijd zichzelf.

Zijn faam stijgt en zijn naam kom ik steeds vaker tegen. In 1999 bijvoorbeeld, als hij Nederland vertegenwoordigt op de Biënnale van Venetië. Als mijn uitgever en ik in het najaar van 2002 een afbeelding zoeken voor de omslag van mijn eerste roman, herinner ik mij de serie foto’s die Van Golden door de jaren heen van zijn dochter nam en exposeerde onder de titel Youth is an art. Mijn redacteur gaat op pad en komt terug met een snapshot van een klein meisje naast een reusachtige boom. Diana, Laren 1979 heet het. We vragen hem toestemming om de foto te gebruiken en zeggen erbij dat we hem wel moeten spiegelen en om de rug heen laten lopen om hem passend te krijgen. Van Golden heeft geen bezwaar. Als het boek er is stuur ik hem een exemplaar en een bedankbriefje waarin ik hem tevens uitnodig voor de presentatie. Niet verrassend gaat hij daar niet op in.

Begin 2012 bezoek ik een tentoonstelling van zijn werk in De Hallen in Haarlem. Een overzicht van 50 jaar schilderen – en voor het eerst besef ik hoe oud hij al is. Of moet ik zeggen: ongemerkt is geworden.

Maandag is Daan van Golden overleden, hij was 80 jaar. M. is inmiddels 43, maar nog steeds mijn nichtje.

Goede voornemens

koffie

Gisteren bedacht ik dat het misschien een goed idee was om dit nieuwe jaar, met enige vertraging weliswaar, te beginnen met een Goed Voornemen. iets waarvan ik al heel lang denk dat ik het eigenlijk zou moeten doen. Of laten, beter gezegd. Waartoe ik eerder al eens een zeer kortstondige poging heb ondernomen, meerdere zelfs, maar altijd zonder resultaat. ik heb het over het nemen van suiker in mijn koffie.

Sinds ik koffie drink, zo’n veertig jaar nu, doe ik dat met een beetje suiker. Geen enorme hoeveelheden, vind ik zelf. Eén schepje. Of een klontje. Of een zakje. Afhankelijk van waar ik mijn koffie drink. In een espresso neem ik de helft.

Een gemiddeld klontje bestaat overigens uit 3,5 gram suiker, zo leerde ik daarnet, terwijl een stick of zakje 4 gram bevat. Dat verraste me. Ik dacht altijd dat een klontje meer was dan een zakje. Dat komt vast en zeker door de lompe vorm van het klontje. En de klank: leest u de vorige zin maar eens hardop en de kilo’s vliegen eraan.

Gisterochtend dronk ik mijn eerste kopje zonder. Hoe dat smaakte? Walgelijk – en dat schrijf ik zonder overdrijving. Mijn trouwe kompaan, mijn rots in de branding, mijn troost in kommervolle dagen was verworden tot een goedje dat ik het liefst direct weer zou uitspuwen. Waartegen mijn gestel zich leek te verzetten, alsof het aanvoelde dat het hier ging om iets dat je maar beter niet tot je kon nemen.

Wonderlijk is dat toch. Het riep een zeer verre en vage herinnering op aan de eerste slokken bier en wijn, aan de spruitjes uit mijn kindertijd, de olijven van lang geleden, aan een drankje dat een huisarts mij ooit voorgeschreven heeft. Allemaal dingen die ik nu met veel genoegen tot mij neem. Nou ja, afgezien van dat drankje dan.

Is het mogelijk dat ik ook de smaak van koffie zonder suiker ga waarderen? En wel net zo lekker als ik mijn kopje koffie met een beetje suiker vond? Dus niet als een soort second best maar echt net zo lekker – of nog lekkerder? Ik hoop het maar. Anders ben ik een van de grote kleine genoegens in mijn leven kwijt. Ingeruild voor, ja voor wat eigenlijk?

Ik houd mij maar vast aan al die mensen die hun dagelijkse koffie zonder suiker drinken en dat met veel genoegen lijken te doen. En natuurlijk, mijn studie psychologie heeft mij geleerd dat alle perceptie relatief is, dat dit de kern van ons waarnemingsvermogen vormt. Maar toch.

En stel dat dit allemaal waar is en ik aan de nieuwe smaal van mijn koffie zal wennen en die zal weten te waarderen: hoe lang duurt dit? Hoeveel tijd hebben mijn smaakpapillen en mijn hersenen nodig om zich te resetten. Om hun elektrochemische huishouding weer zodanig aan te passen dat ik weer evenveel genot als vroeger ervaar. Op het web lees je dingen als een, twee en drie weken. Sommigen pleiten voor een gelijkmatig afbouwen, terwijl anderen de voorkeur geven aan cold turkey.

Ik merk het wel. Tot dat moment is het drinken van een kopje koffie geworden tot een oefening. Een training. Een waaraan ik geen plezier beleef, maar die ik volhoud omdat ik weet dat het ergens goed voor is. Dan heb ik het niet over de gezondheidswinst. Maar over het terugvinden van die genotvolle sensatie die ik een aantal malen per dag mocht ervaren. En die, en ook dat weet ik, slechts één lepeltje suiker ver is.