Langzaam bolde het gordijn op, zakte toen weer in elkaar en vleide zich tegen het raamkozijn. Het zoog de longen weer vol, zette  zich af tegen het houtwerk en gleed opnieuw de kamer in. In eenzelfde ritme opende en sloot dokter Fontijn zijn ogen, langzaam ontwakend uit zijn middagslaap. Hij gaapte, draaide zich op zijn zij en keek de kamer rond, beetje bij beetje wennend aan het idee weer wakker te zijn. Hij wreef zich in de ogen en keek naar het opwaaiende gordijn. Onwillekeurig stemde hij zijn ademhaling op het ritme af. Toen het briesje onregelmatig werd, kwam hij overeind en ging op de rand van het bed zitten. Hij haalde een hand door zijn grijze haar, smakte met zijn droge mond en likte zijn lippen. Hij luisterde naar de geluiden van het huis, naar het ontbreken van geluiden, en werd zich pas toen bewust van het geruis dat al die tijd al in zijn oren klonk. Het kwam van buiten. Water, dacht hij, het lijkt wel of er iemand staat te sproeien.
   Hij stond op, hees de bretels over zijn schouders en liep gapend naar het raam. Hij schoof het gordijn opzij en keek neer op de tuin die naast de zijne lag. Op het gazon aan de achterzijde van het huis stond een meisje. Half van hem afgewend, het gewicht op haar linkerbeen, besproeide ze de borders. In haar rechterhand hield zij de tuinslang, haar linker lag op haar heup. Ze hield haar hoofd wat scheef, alsof het te zwaar was om overeind te houden. Langzaam bewoog ze de tuinslang heen en weer. Slaafs maar met een kleine vertraging volgde het water haar slome bewegingen. Ze droeg een mouwloos, beige jurkje en stond op blote voeten in het gras. Dokter Fontijn schatte haar een jaar of elf. Leunend tegen het kozijn, met de rand van het gordijn in zijn hand, zag hij hoe ze, een beetje verveeld misschien, het water nu eens hoog de lucht in spoot en de straal dan weer op de bladeren van een van de planten vlakbij haar richtte. Ze veranderde van houding, pakte de slang over in haar linkerhand en krabde met haar rechter aan haar bovenbeen. Ze blies de pony van haar voorhoofd. Toen tilde ze haar linker voet op en schuurde met haar wreef stevig langs haar rechter kuit. Met schokjes bewoog haar bovenlichaam heen en weer om het evenwicht te bewaren. Daarna pakte ze de slang weer over in haar andere hand en hield de straal een tijd lang op dezelfde plaats gericht. Er gebeurde niets. Als in trance keek ze naar het punt waar het water naar beneden viel. Langzaam, uiterst langzaam, bracht ze een hand naar voren. Daar stokte de beweging even, één, twee tellen misschien, toen strekte ze haar arm. Terwijl ze haar lippen naar binnen zoog, raakte ze met haar hand de waterstraal. Sissend en sputterend kolkte het water tussen haar vingers door. Zilver fonkelend schoot de straal zijn druppels in het rond, waarvan sommige trommelend op de grote bladeren van het hoefblad neerkwamen. Toen trok ze haar hand weer terug. Het was daarna alsof het water haar weer tot leven had gebracht. Ze kwam in beweging en liep langs de borders heen en weer, gaf een paar planten nog wat extra water en legde toen de tuinslang in het gras. Met een hupje spoedde ze zich naar het huis en verdween uit het blikveld van dokter Fontijn. De tuinslang lag in het gras. Het water spoot tegen de heg aan. Toen werd de straal korter. Het water gulpte nog wat en stopte. De geluiden keerden terug in de tuin, in de slaapkamer en in de rest van het huis. Dokter Fontijn liet het gordijn los en draaide zich om.

Advertenties