Er zijn planten waarmee ik soms een beetje medelijden heb. Met de Kirengeshoma palmata bijvoorbeeld, of Japanse wasbloem in het Nederlands. Niet omdat de plant er zieltogend bij zou staan, want zowel in mijn voor- als achtertuin doet hij het prima. Ook niet omdat het een lelijke plant zou zijn. Integendeel, alles is mooi aan deze plant: de bladeren, de stengels, de bloemknoppen, tot de zaaddozen aan toe. Het is bovendien een uiterst gemakkelijke plant die met elk plekje tevreden is. Zelfs in diepe schaduw doet-ie het nog – waar vind je nog zo’n plant?
Hij bloeit pas laat, niet eerder dan september, maar wat zou dat: alleen om het blad zou je de plant al moeten nemen. ‘Sierlijk’ en ‘handvormig’, dat zijn de woorden die je in beschrijvingen dan tegenkomt – ik houd van beschrijvingen in plantenboeken of catalogi, heerlijk leesvoer is dat. Ze zitten aan opgerichte zwarte stengels, die bladeren. Een beetje Esdoornachtig, vind ik zelf, maar dan iets minder diep ingesneden.
De bloemen zijn zachtgeel en klokvormig. ‘Als badmintonshuttles,’ schrijven Piet Oudolf en Henk Gerritsen en inderdaad, de gelijkenis is treffend. Heel lang blijven de bloemen zo gesloten aan de plant zitten, in trosjes bungelend aan de lange steeltjes die hun gewicht niet kunnen dragen. En als dan eindelijk eind september het zo ver is dat de eerste gele bloemen zich ontvouwen – hoewel dat eigenlijk niet the juiste woord is, het is eerder zeer ingetogen bloeien wat-ie doet, bedeesd, ja zedig zelfs – dan komen net op dat moment ook de eerste najaarsregens en herfststormen. Zodat bijna niemand er nog acht op slaat.
Sneu vind ik dat, elk jaar weer. Als een feestje waar niemand op komt.
Je ziet de badmintonshuttles daarna vaak onderaan de plant op de grond liggen. Als kleine, verregende, gele baljurkjes. Hun plaats aan de stelen is ondertussen ingenomen door de prachtigste zaaddozen die ik ken, met drie delicate naaldjes die als antennes de lucht in wijzen.
Maar ja, wie kijkt er dan nog naar hen om.

Advertenties