Laatst wandelde ik op een zondagmiddag van Amstelveen naar Uithoorn en weer terug. Twee keer rechtdoor door de polder. Een keer wind in de rug en een keer in het gezicht. Maar toch een wandeling met heuse markeringen en een heuse naam: Polderspoorpad. Op sommige dagen krijg je wel eens het idee dat wij het wandelen iets te serieus nemen. Moeten we niet doen, er worden al zoveel dingen veel te serieus genomen. Maar aan de andere kant, als we het niet deden zou er in korte tijd misschien wel niet meer zoveel te wandelen zijn.
Van de rand van Amstelveen ging het naar de rand van Uithoorn, over een oud grasdijkje waarover vroeger een boemeltje de verbinding tussen de twee steden onderhield. Dat is het spoor uit de naam van het pad.
In Uithoorn voerde het pad door het tegenwoordig bijna onvermijdelijke stadsparkje met modern natuurbeheer, dat hier de naam Biezenwaard droeg. Het was niet groot, wel aardig, met een kinderboerderij en de tegenwoordig even onvermijdelijke grote grazers. Dorsets, in dit geval.
Op de terugweg door de Bovenkerkerpolder zag ik een biddend roofvogeltje in de lucht hangen. Vraagt u mij niet wat voor een het was. Ik heb een redelijk scherpe blik en een goed geheugen, maar ik slaag er maar niet in om vogels uit elkaar te houden. Weet u waar zij mij altijd aan doen denken, die biddende roofvogeltjes? Aan mijn watertrappelende zoontje, toen hij een jaar of wat geleden opging voor zijn A. Met die grote grazers heb ik niets, tenminste niet in zo’n parkje, maar zo’n luchttrappelend vogeltje blijft me fascineren. Kan ik uren naar kijken. Wat ik overigens niet deed, want er stond een gure wind.
Verder was er eigenlijk niets. Soms is dat ook wel eens leuk. Een wandeling over lange, rechte paden waar helemaal niets te zien valt. Je kunt je gedachten dan zo lekker de vrije loop laten en je aandacht laten rondzwerven. En soms wordt je dan opeens getroffen door de schoonheid van een beeld dat zich al ontelbare malen op je netvliezen moet hebben getoond: een weide met een sloot, een groen vlak met daarin een glanzende, met bibberige hand getrokken, kwikzilveren streep. En aan weerszijden daarvan, om het te vervolmaken, een tweetal zwanen in perfecte symmetrie.
O ja, er was nog iets te zien: een boerderij. Ik mag er altijd graag naar kijken, naar een boerenerf. Ik houd van de rommel die er ligt opgeslagen, het allegaartje aan schijnbaar nutteloze spullen in de schuren en op het erf: autobanden, karkassen van landbouwmachines, rollen ijzerdraad, stapels hout – je zal maar net een paaltje nodig hebben, je weet maar nooit. Ze doen me denken aan de schuur van mijn opa of de kast van mijn vader. Ook daar diezelfde uitstalling van halfvergeten spullen: een jampotje met moeren, een zakje schroeven, een boterkuipje met spijkers, gereedschap, een flesje terpentine, een rijtje verfblikken. Alles schijnbaar ongeordend maar indien nodig in een tel weer teruggevonden. Een stukje touw: altijd handig.
Ik heb er vroeger als kind hele middagen mee gespeeld en later als volwassene altijd met bewondering en jaloezie naar gekeken. Vaak geprobeerd hetzelfde aan te leggen, maar daar nooit in geslaagd. Bij mij verwordt zo’n verzameling altijd tot een rommeltje waarin ik nooit terugvind wat ik nodig heb. De schroeven blijken van een verkeerde maat, de pluggen van slechte kwaliteit. Mijn kwasten staan hardgeworden in hun glazen potje en slingeren mij mijn goede voornemens in het gezicht, evenals het roestend tuingereedschap dat ik het vorig najaar wederom vergeten ben in te vetten.
Nee, ik moet het doen met wat ik nu maar even mijn mentale voorraadkast noem. Een verzameling beelden, woorden en herinneringen, halfvergeten de een, aangetast de ander. Even ongeordend en rommelig als een boerenerf. Een opslagloods waarin je naar het ene op zoek bent en met het andere weer naar buiten komt.
Weet u, misschien is dat wel het aantrekkelijke van zo’n wandeling, dat dit soort gedachten zich vormen in je hoofd.
Later in de middag ging de wind liggen. Het werd zacht en behaaglijk en ik plakte nog een lusje aan mijn wandeling vast. Tijdens die laatste kilometers door een klein, intiem poldertje schoten mij een paar regels te binnen uit een boek waaruit ik een tijdje terug had voorgelezen op een basisschool. De titel is Voor altijd samen, amen, de schrijver Guus Kuijer, en ik kon mij die middag helemaal vinden in zijn definitie van het wandelen.
‘We stonden op. We liepen een eind nergens heen en liepen weer terug. Wandelen heet dat. Grote mensen zijn er gek op.’