Zou er, net zoals er in de natuur een seizoen voor zaaien en een voor oogsten is, ook in een mensenleven een fase zijn waarin interesses, passies, vriendschappen en liefdes worden gezaaid? Een periode waarin wij ontvankelijk zijn voor al die dingen die een mensenleven meegaan en die ons maken tot de persoon die wij later blijken te zijn? Misschien wel, ja. Dan kan dat toch bijna niet anders zijn dan onze kindertijd en adolescentie, denkt u ook niet? De periode waarin het onbeschreven blad dat wij zijn beschreven wordt. Waarin de vruchtbare bodem open staat voor al het zaad dat komt aangewaaid, meegevoerd door een windvlaag, wie weet waarvandaan. Gril van de natuur, gift van de wind, cadeautje voor het leven.
Ik kom daarop omdat ik merkte dat ik dit jaar voor het eerst in mijn leven weinig interesse heb voor de naderende Tour de France. Misschien heeft het te maken met het feit dat de wielersport momenteel gedomineerd wordt door dopingnieuws. Of met de bizarre situatie dat wij bij de start van dit jaar nog steeds niet weten wie de Tour van vorig jaar heeft gewonnen. Net zoals die van 1996 nu niet door Bjarne Riis is gewonnen – maar door wie dan wel? En al die tussenliggende jaren, hebben wij toen dan wel de echte winnaar gehuldigd?
Maar misschien heeft het met dit alles ook wel helemaal niet zoveel te maken. Ik herinner mij een citaat uit het boek Feverpitch van Nick Hornby. Een mooi boekje. Over voetbal weliswaar, maar wat voor de ene passie geldt, geldt ook voor de andere. Hij schrijft daarin dat er een kentering optrad in zijn liefde voor de Londense club Arsenal op het moment dat hij zich realiseerde dat zijn liefde voor de club groter was dan die van de spelers. Het is de spijker op de kop: het is precies dat besef dat maakt dat je blik, je gevoel en je liefde verandert. Het is er allemaal nog wel, maar het krijgt een andere status. Het wordt een herinnering, een museumstuk, een verhaal. Overigens worden liefdes daar vaak alleen maar mooier van.
Het zaadje voor mijn liefde voor de Tour is in mijn jongensjaren gezaaid. Het was in Brabant, waar ik in de zomermaanden vaak logeerde bij familie. Het was echter een Vlaamse wind die het aanvoerde. Van over de grens, die op slechts een steenworp afstand lag. Het was de tijd van voor Mart Smeets en de dagelijkse tourreportages op de Nederlandse tv, maar daar in Brabant konden wij de BRT ontvangen die wel al dagelijks verslag deed in die tijd. Het mooie was echter dat wij nooit wisten hoe laat de uitzending begon – dat wist zelfs de BRT niet. ’s Middags zetten wij het tv-toestel aan en keken naar het scherm waarop een klok de verwachte start van de uitzending aankondigde. Dat tijdstip werd echter steeds uitgesteld en de wijzers op de klok werden voortdurend bijgesteld. Wat maakte dat wij eigenlijk de hele middag zaten te kijken naar een zwart scherm met een witte klok daarop.
Het was de Vlaamse commentator Fred de Bruyne die het zaadje in mijn hart plantte. Nooit een beter wielercommentator gehoord dan hij. Deskundig, ter zake, geestig, scherp, mooie stijl, al wist ik al die dingen toen nog niet. Hoorde later ook dat hij een groot wielrenner was geweest. Drie keer Luik-Bastenaken-Luik gewonnen, een keer Milaan-San Remo, Parijs-Roubaix.
Misschien is dat het wel. Dat ik gewoon Fred de Bruyne mis. En die witte klok op dat zwarte beeldscherm. En die zonovergoten middagen in Brabant uit mijn kindertijd.
Fred de Bruyne overleed op 4 februari 1994. Het dorpje Seillans in de Provence, waar hij de laatste jaren van zijn leven woonde, heeft een pleintje naar hem genoemd.

Advertenties