Het blijft vreemd gesteld met de natuur in Nederland. Ook met de discussies daarover, trouwens. Soms hoor je iemand van een of ander Planbureau zeggen dat de Achterhoek en de heuvels van Zuid-Limburg wel mooi zijn, maar dat half Europa er uitziet als de Achterhoek en dat alleen de delta met zijn natte natuur eigen is aan Nederland.
     Vreemde argumentaties vind ik dat.
     Misschien kunnen we heel Oost-Nederland gewoon aan Duitsland geven en het zuiden aan de Belgen. Voorbij Utrecht versta ik ze toch niet meer.
     Zoiets.
     Het leuke aan de natuur is nu juist dat ze zich niets van grenzen aantrekt. Van hekken en schuttingen evenmin: tuinbezitters weten daar alles van. Hoewel, altijd even leuk is dat niet. Maar daarover een andere keer.
     Soms lijkt de natuur het zelf ook niet helemaal meer te weten. Wat van slag af, zo gezegd. Van zichzelf vervreemd. Een goed gesprek met een psychiater zou haar goed doen. Zo hebben wij sinds het voorjaar van 2008 ooievaars in ons nieuwbouwwijkje aan de rand van Amstelveen. Ze kwamen met z’n tweeën en streken neer op een grasveldje in de schaduw van een flatgebouw. Ze deden niet veel. Of eigenlijk deden ze niets. Ze stonden er maar en soms nam een van de twee plaats op een lantaarnpaal, dat was al.
     Op een zeker moment was een van de twee verdwenen. De achtergebleven ooievaar stond nu in zijn eentje in het grasperkje, waar hij soms het gezelschap van een reiger zocht. Tegennatuurlijk, vonden wij: had die ooievaar niet altijd al iets van een potloodventer in een smoezelige regenjas gehad?
     Ergens in de zomer van 2009 stonden er plotseling drie. In het zelfde perkje bij het zelfde flatgebouw. Wij vroegen ons af hoe het nu precies zat met deze ménage à trois. Was er sprake van een echtpaar? Was een van hen de nakomeling van de andere twee? Broeden hadden we ze nooit zien doen en dat wat daaraan voorafgaat evenmin. Ook was er geen enkel uiterlijk teken dat erop wees dat een van hen jonger was dan de andere twee.
     Ik had mij sinds hun verschijnen in de wijk afgevraagd of ooievaars niet moesten trekken. Zo stond het me toch echt bij, dacht ik. Later las ik in de krant dat er inmiddels een grote populatie ooievaars in ons land is die dat niet meer doet. Het gaat hier om vogels die het product zijn van het broedprogramma dat in de jaren zeventig is gestart. Omdat het dier toen zo goed als verdwenen was in Nederland. Ik begrijp ze nu iets beter, onze ooievaars.
     Laatst, op een mooie zondag, stond ik voor onze tuindeuren en keek naar buiten. Na een tijdje zag ik hen, met z’n drieën, hoog in de lucht. Ze vlogen een rondje, een kleine rondje, met een doorsnede van niet meer dan dertig meter. Enigszins stuntelig vlogen ze achter elkaar aan. Wat wankel in de vleugels, als een klein kind dat voor het eerst zonder zijwieltjes fietst. Ik stelde me voor hoe een van hen plotseling een kriebel had gekregen, een vreemde rilling van ergens diep in zijn lichaam. Vreemd aangestaard door de andere twee was hij plotseling met zijn vleugels gaan wapperen, als in een opwelling vanuit een al lang vergeten instinct. Ze maakten een ommetje, een zondagmiddagommetje, zoals zoveel gezinnen dat wel doen. Terwijl ik naar ze keek, zag ik voor me hoe ze straks weer op het grasperkje zouden staan, dicht op elkaar, een blos op de wangen.
     ‘Wel apart, dat vliegen,’ begint de een.
     ‘Moest er even aan wennen, maar niet onprettig,’ zegt de ander.
     ”t Is weer eens wat anders,’ voegt de derde eraan toe.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s