Waarom beklimmen wij een berg? Omdat wij nieuwsgierig zijn naar het landschap dat erachter schuil gaat. Tenminste, dat zou mijn antwoord zijn. Ik had die septemberdag op Kreta mijn nieuwsgierigheid een naam gegeven, Lassithi hoogvlakte, en ik zei tegen mijzelf dat ik daar naar op weg was. Vraagt u mij niet waarom.
Ik had een ATB gehuurd en reed de dorre steenpuist op waar ons appartement op uitkeek. Achter het ding ging een berglandschap schuil waar de weg als een zilveren haarlint overheen lag gedrapeerd. Blij de lelijke kuststreek ontvlucht te zijn reed ik verder, mijn nieuwsgierigheid achterna.
Ik ben geen fietser. Ik fiets wel, maar ik blijf een wandelaar. Op de fiets heb ik altijd de neiging om mijn benen stil te houden, terwijl ik wandelend een natuurlijke drang heb om een volgende stap te zetten. Dat is het verschil.
Na enige tijd doemde er een serieuze berg voor mij op, in vergelijking waarmee al het voorafgaande kinderspel was geweest. Ik zag de weg in een ontelbaar aantal haarspeldbochten naar boven kronkelen en besloot de uitdaging aan te gaan. Misschien was het wel toen dat mijn gedachten zich vastbeten in die naam: Lassithi hoogvlakte.
Het was eind september, maar nog steeds warm en het zweet stroomde al snel langs mijn lichaam. Ik had mijn krakende en piepende fiets op het lichtste verzet staan, terugschakelen kon niet meer, en uiterst langzaam kroop ik over de flanken van de onbekende berg omhoog. Als nog slechts een paar bochten mij van de top scheiden, maakt de weg een onaangekondigd zijsprongetje langs een aantal witgeschilderde huisjes. Op het grindterras van een daarvan staat een tiental tafeltjes waaraan mensen zitten te eten. Er stijgen heerlijke geuren op van hun borden en ik zie een vrouw rondlopen met flessen wijn, bier en water. Ik kan de aanblik en geuren niet weerstaan, zet mijn fiets tegen een hekje en ga zitten aan een tafeltje in de schaduw van een boom. Al na een paar tellen staat de gezette waardin voor mijn neus. Ik versta niets van wat ze zegt. Een kaart is er niet, maar ze wijst op een stenen bouwseltje een paar meter verderop en zegt: ‘Chicken?’ Ik knik. ‘Salad?’ Ik knik weer. ‘En beer’, breng ik moeizaam uit, ‘large beer.’
Nadat ze een bord, bestek en een halve liter bier op mijn tafeltje heeft gezet, loopt de vrouw naar het uit ruwe stenen opgetrokken bouwseltje. Ze opent het gietijzeren deurtje – het is een houtgestookte oven – en haalt er een braadslede met knapperige kippenboutjes en aardappeltjes uit tevoorschijn die liggen te spetteren in het vet. Ze ruiken naar knoflook, rozemarijn, tijm en oregano en smaken hemels. Net als de sla met feta trouwens, en het bier, waar ik al snel een tweede halve liter van bestel. Het is het heerlijkste dat ik ooit heb gegeten, althans dat denk ik, dat zeggen mij de kakelende stemmen op het terras, de vogels in de takken boven mij, de witte huisjes, de zon en de hemel, en de dikke, zwetende waardin aan wie ik even later een habbekrats betaal.
Licht in het hoofd en met pap in de benen laat ik mijn fiets nog even laten staan en steek de weg over naar de andere huisjes van het dorp. Voor een daarvan zit een oud, kromgegroeid besje dat, als ze mij in de gaten krijgt, haar tandeloze mond open spert. ‘Loekie loekie?’ kraait ze in mijn richting. Ik haal niet-begrijpend mijn schouders op. Ze staat op en gebaart met haar hand in de richting van haar huisje. ‘Loekie loekie?’ zegt ze weer. Dan begrijp ik dat het een verbasterd Engels is dat zij zich eigen heeft gemaakt, waarmee ze mij, verdwaald toerist, naar binnen probeert te lokken. In een flits schilderen mijn fantasie en schrijversgeest mij de wildste taferelen. Beelden die variëren van een flikkerend mes waarmee ze mij, als in de film Don’t look now, de hals doorsnijdt, tot een beeldschone kleindochter die twintig jaar lang in dat huisje op mij en mij alleen heeft zitten wachten. Met kloppend hart stap ik achter haar gekromde rug het duister van het huisje binnen. Het duurt even voor mijn ogen aan het donker gewend zijn. Dan zie ik op een dressoir een paar kanten kleedjes liggen, en begrijp dat ik het in werkelijkheid daar mee moet doen.
Een paar tellen later sta ik weer buiten. De zon brandt nog even onbarmhartig als voorheen. Ik kijk omhoog, naar waar de weg over de top van de berg verdwijnt. Wie maalt er nog om de Lassithi hoogvlakte? Mijn verlangen daarnaar is verdwenen, mijn nieuwsgierigheid verzadigd. Ik stap op mijn fiets en begin aan de lange afdaling naar de kust.

Advertenties