Het blijft een wonderlijk medium, het web. Geheugen van de wereld, rustplaats voor zwerfvuil, objets trouvés, lost and found. Laatst kwam ik er zo maar de naam van iemand tegen, Marthe Geraud. Wie dat is? Ik zal het u vertellen.
Ik moet daarvoor teruggaan naar de zomer van vorig jaar, toen wij wandelden in de Pyreneeën. Hoe het er heette? In Frankrijk vind ik die vraag nooit zo gemakkelijk te beantwoorden. Al gauw raak ik verstrikt in de voor mij nog altijd ondoorzichtige wereld van departementen en prefecturen, arrondissementen en kantons. Op mijn kaart staat Haute-Ariège, maar het is het departement Ariège, geloof ik, het arrondissement Foix, en het kanton Ax-les-Thermes. De streek wordt wel het Pays de Sault genoemd, niet te verwarren met het gelijknamige gebied in de Provence. Nee, mijn Pays de Sault ligt aan de voet van de Pyreneeën. Het is er mooi en rustig – waar vind je die twee woorden nog in één adem genoemd?
Onze tent stond aan de rand van een camping die hoog tegen de helling aan lag en uitkeek over het dal. Onder ons lag Camurac, waarvan de grootste attractie is dat het piepkleine dorpje een épicerie heeft, een bezit dat overigens niet onderschat moet worden. Verderop ligt Comus, het plaatsje waar de weg ophoudt en waar elke ochtend het dal erachter zich met een groot pak wolken vult. Wolken die zich, zo lijkt het, een voor een door de Gorge de la Frau moeten persen, de smalle doorgang die het dorpje, en het hele dal, sinds mensenheugenis met Montségur verbindt. En Montaillou? Ach, Montaillou, ten westen van ons, heeft sinds 1975, na het verschijnen van het gelijknamige boek van Emanuel le Roy Ladurie, zijn naam – en eigenlijk ook niet veel meer dan dat.
Misschien vind ik het er daarom wel zo prettig, omdat er niet zo gek veel is. Niet zo gek veel meer dan de bergen, de wolken en de eeuwenoude dorpjes, die in al die eeuwen nooit veel groter zijn geworden. Wat heb je ook nog meer nodig? Niets. Behalve dan wat zon, misschien. En het heerlijke brood van onze épicerie.
Op een dag wandelden wij over de Col de Balaguès, de Col de la Pierre Blanche en de Col du Chioula. We kwamen langs de Refuge du Chioula, een eenvoudig houten gebouwtje met zonnepanelen op het dak en een terras met picknicktafels. We gingen er zitten, namen iets te drinken en aten er ons meegebrachte brood met kaas op. We zaten uit de wind, in de zon en keken uit over de rijen groene toppen die zich in steeds donkerder tinten tot in de oneindigheid voor ons uitstrekten. Het Franse meisje dat ons had bediend stond tegen de deurpost geleund en at een appel. Iets verderop zat een Frans echtpaar dat net als wij zo nu en dan een gefluisterd woordje sprak. Soms kwam het geluid van een koebel aangewaaid, geen idee waarvandaan. Verder was er niets. We deden ons tegoed aan het uitzicht en vooral aan het Zijn. Het Being There. Grote woorden misschien, maar wel terecht dit keer. Het was een hemels plekje waar wij eigenlijk nooit meer weg wilden gaan. In ieder geval die middag niet.
Op een gegeven moment verliet het meisje haar plaats in de deuropening en slenterde heupwiegend naar binnen. Even later klonk uit de schemering van het huisje muziek op. Een pianist sloeg een paar akkoorden aan die zoekend hun weg gingen over het golvende groene landschap. Een contrabas sloot zich bij hem aan en een paar tellen later gaven de brushes van een drummer de maat aan waarin de andere twee zich schoorvoetend voegden. Na het intro hielden de instrumenten even hun adem in en op dat moment klonk de stem van een zangeres, niet uit de deuropening van het huisje, waarin het meisje intussen weer had plaatsgenomen, maar uit de hemel zelf, zo leek het. Lispelend, helder, maar toch met een lichte, sensuele floers. Jazzy, traag, Franstalig. Het wonderlijke was dat de muziek geen inbreuk maakte op de verstilde schoonheid van het landschap, maar die aanvulde, versterkte, ja nog een extra dimensie gaf. De kortstondige menselijke aanwezigheid in het aangezicht van de eeuwigheid – al weer van die grote woorden, maar ook nu terecht. De wind deed de klanken en woorden verwaaien en strooide ze uit over de berghellingen. Le parfum du rêve, dat waren de enige woorden die ik verstond.
Ik zou u niet eens meer kunnen zeggen of de muziek stopte na dat ene nummer of hoe lang dat duurde en evenmin wanneer wij er zijn weggegaan. Uiteindelijk zijn wij opgestapt, dat wel. Met een brok in mijn keel rekende ik bij de waardin af, een koffie, een thee en een coca, en wist mij los te scheuren van dat plekje op het terras van de refuge, terwijl ik wist dat iets van mij daar achterbleef.
Marthe Geraud. Zo heet zij dus, de gardien van de refuge. Ik kwam haar tegen op het internet. Zo zag zij er ook uit, als iemand die Marthe Geraud heet, bedoel ik. Er stond een telefoonnummer bij: 0468207157. Ik speelde met de gedachte het nummer te draaien. Zag voor me hoe het toestel daar hoog in de bergen over zou gaan. Een silhouet in een deuropening, een slepende pas, een stem.
‘Mademoiselle Geraud?’
‘Oui, c’est moi.’
Le parfum du rêve.

Advertenties