Sportevenementen als de Olympische Spelen zijn slecht voor mij, mijn werk, mijn gestel en mijn gezin. Als ik eenmaal begin met kijken kan ik moeilijk stoppen – en eigenlijk wil ik dat ook helemaal niet. Ik wil alles zien. Onversneden. Onaangelengd. The Full Monty. Van gewichtheffen tot synchroonspringen en van tafeltennis tot dressuur. Mijn eerste Olympische verliefdheid heb ik ook al onder de leden: zwemster Femke Heemskerk heeft mijn hart gestolen, maar daarover later meer.
Aan Jeannie Longo heb ik het afgelopen weekend namelijk de meeste gedachten gewijd. Of aan haar leeftijd beter gezegd. Wielrenster Jeannie Longo is namelijk van 31 oktober 1958, drie jaar ouder dan ik ben, en doet in Beijing aan haar zevende Olympische Spelen mee. Terwijl ik zondag in de regen mijn rondje jogde, begon ik te rekenen: als ik nu elke dag trainde, waarom zou ik dan niet Londen kunnen halen? In 2012 ben ik tenslotte pas vijftig, nauwelijks ouder dan Jeannie Longo nu is. Ik zou mijn literaire carrière er met alle plezier vier jaar voor in de ijskast zetten.Al in 2003 zei ik dat ik mijn debuutroman zonder enig moment van aarzeling zou inruilen voor één seizoen in Ajax 1. En mijn hele oeuvre schuif ik zondermeer aan de kant voor een loopbaan als international.
Ik begon mijn sportcarrière lang geleden bij het hoofdstedelijke Blauw-Wit. ‘Dat toen nog profvoetbal speelde’, zoals ik er altijd graag bij zeg. Ik moest een proefwedstrijd spelen en kreeg daarna een uitnodiging om lid te worden van de club die in de schaduw van het Olympisch Stadion zijn wedstrijden speelde. Op een doordeweekse avond togen mijn vader en ik naar het clubgebouw, waar ik een setje blauwwitte voetbalkleren kreeg uitgereikt, dat die avond, en die avond alleen, met een mystiek soort aura leek omkranst. ‘We dachten: Die Snoek die moeten we hebben’, zei de man die mij het stapeltje textiel overhandigde. Woorden die een belofte in zich droegen die wij, de club en ik, nooit hebben kunnen inlossen. Een paar jaar na mij werd de één jaar jongere  Franklin Edmundo Rijkaard lid. De trainer dacht dat wij niet samen op een middenveld konden spelen. De rest is geschiedenis.
Mijn wielercarrière begon een flink aantal jaren later, na mijn middelbare school. Toen ik het boekje De renner van Tim Krabbé had gelezen, om precies te zijn. Ik vraag mij altijd af hoeveel Nederlandse jongens en mannen na het lezen van dit boekje een racefiets hebben gekocht. En hoeveel van die fietsen na een paar maanden in schuurtjes hebben staan te verstoffen.
Mijn fiets was een Ferrari-rode Koga Miyata, wat ik toen nog voor een Japans merk hield. Veertienhonderd gulden kostte mijn steigerend paardje, een behoorlijk kapitaal begin jaren tachtig. Ik had een vriend met een Peugeot. Bij hem in de straat woonde Michel Cornelisse, die toen een jaar of zestien moet zijn geweest. Hij stond te boek als een veelbelovend jong coureur en was de trots van de buurt. Vanuit het raam van mijn vriends kamer zag ik hem op zijn racefiets weggaan om te trainen en keek bewonderend naar de ranke jongen op zijn even ranke Gazelle. Hoewel hij als prof later ondermeer de Ster van Zwolle en de Ronde van Luxemburg zou winnen, leek hem toen, in die onschuldige namiddagen in de buitenwijken van Amsterdam, een nog veel grotere toekomst in het verschiet te liggen.
Ik moet bekennen dat ik mijn vriend uit het oog ben verloren en ook in de tuinsteden van Amsterdam ben ik lang niet geweest, maar als ik mijn ogen sluit zie ik het rood-wit-blauw shirtje met ‘Amstel Bier’ nog voorbij flitsen achter de bomenrij langs het fietspad, beschenen door het stroboscopische licht van de laagstaande zon.
Een tijdlang reden wij fanatiek onze trainingsrondjes, mijn vriend en ik. De Ronde Hoep, Het Kopje van Bloemendaal, een rondje Haarlemmermeer. Op een zeker moment echter kreeg ik pijn in mijn rechter knie. ‘Een te zwaar verzet’, zoals ik er altijd graag bij zeg. Een jaar later, toen ik tijdens mijn studiejaren weer eens krap bij kas zat, verkocht ik mijn Koga voor een veel te laag bedrag, dat ik waarschijnlijk aan boeken heb uitgegeven. Mijn wielercarrière is daarna nooit meer echt van de grond gekomen.
Dit alles ging zo’n beetje door mijn hoofd, afgelopen zondag. Ik jogde mijn rondje door de polder en rekende uit hoe vaak ik dat nog zou kunnen doen tot 2012. Jeannie Longo werd overigens 24e, op 33 seconden van de winnares. Ik zal niet zeggen dat ik in Londen voor goud ga. Ik ben al tevreden als ik in de rij van het restaurant naast de dan 25-jarige Femke Heemskerk kom te staan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s