Internet en reizen zijn inmiddels op velerlei wijzen met elkaar verbonden. Men zoekt en boekt niet alleen via het internet, maar laat daar ook zijn foto’s en verhalen achter. Het reizen over het web heeft bijna de vorm aangenomen van een werkelijke trektocht, zoals een vakantie in de werkelijkheid, getuige de verhalen, bij sommigen wel een zoektocht van het ene internetcafé naar het andere lijkt te zijn.
Laatst raakten mijn reizen en mijn zoektochten over het web elkaar in een poging een herinnering te staven, een herinnering uit 1993, toen de digitale snelweg nog geplaveid moest worden. Het was op 16 juni om precies te zijn. Ik was die ochtend om half tien vertrokken. Het regende. Niet zo hard, maar, zoals mijn landlady Mrs. Jean Price zei: ‘It’s thick, you know, the rain really hits you.’ Een zin die ik nog elke keer tegen mijzelf uitspreek als ik door de regen wandel.
Naarmate de ochtend verstreek ging het steeds harder regenen. Ik vond het niet zo heel erg. Ik had mij goed ingepakt en het landschap van Zuid-Engeland werd er alleen maar mooier op. Op een gegeven moment haalde ik een drietal andere wandelaars in, een vrouw en twee mannen. Doordat het pad smal was, kon ik hen niet direct passeren, ‘erop en erover’ zogezegd, en voor ik het wist spraken zij mij aan en hielden ze mij een tijdlang gezelschap.
Het was een wat vreemd stel. De vrouw was een echte wandelaar, degelijk uitgerust en gekleed op de omstandigheden. De twee mannen echter leken zo uit de huiskamer de velden in te zijn gelopen. De een droeg weliswaar een muts en de ander een regenjack, maar de broek en schoenen die zij aan hadden waren louter bedoeld voor een boodschap, of een wandelingetje door de stad, en nu al doorweekt en met een dikke laag modder bedekt. De mannen bleken gasten van de vrouw te zijn, afkomstig uit Manchester. Zij had voorgesteld een wandeling te maken, dezelfde die ook op mijn programma stond en die, zo wist ik, zo wist zij, maar zo wisten misschien niet haar gasten, eenentwintig kilometer lang was.
Het was vooral de man met de muts die het woord tot mij richtte. Hij vertelde mij dat zij lid waren van een Christian Society, een genootschap waar hij nog enkele bijzonderheden over vertelde die ik niet helemaal begreep. Na een tijdje vroeg hij mij of ik een ‘faith’ had. Het verbaasde mij dat hij dit woord gebruikte. Ik was daar zelf nooit opgekomen en had altijd gedacht dat ‘religion’ de vertaling van ons woord ‘geloof’ zou zijn geweest. Nadat ik ontkennend had geantwoord, keek hij met peinzende blik om zich heen. ‘You know, James Hunt died,’ zei hij toen. ‘James Hunt?’ antwoordde ik, niet zozeer verbaasd over diens overlijden, maar wel over de opmerking van de man, op die plaats en op dat moment. ‘Ja,’ zei hij, ‘de autocoureur.’ Ik mompelde zoiets als een Engels equivalent van ‘jeetje’ of ‘ach nee’. Weer liet hij zijn blik over het landschap gaan, begeleid door een zucht dit keer, en zei toen: ‘It makes you think, you know.’ Hij mompelde daarna nog iets dat ik niet verstond. Tenslotte sloot hij zijn betoog af met een weids armgebaar en terwijl de regen op hem neersloeg zei hij: ‘And this is eternity.’ Hoewel ik dat niet deed, kon ik hem in zekere zin niet anders dan gelijk geven, maar in plaats daarvan mompelde ik een beleefd, maar haastig ‘I think I’ll speed up a little’ en zette er de sokken in.
Het bleef die dag regenen en terwijl ik zo nu en dan tot aan mijn enkels in de modder verdween, gingen mijn gedachten onder het wandelen nog meermalen terug naar de twee mannen en de vrouw, en dan vooral naar de spekgladde molières, waarop de mannen zich glibberend en glijdend moesten zien voort te bewegen door het heuvellandschap.
Hoewel ik ook nadien nog regelmatig terugdacht aan deze vreemde ontmoeting, was het toch pas kort geleden dat ik op het internet ging kijken of James Hunt inderdaad in die periode om het leven was gekomen. Ik had er nooit eerder aan gedacht om dat te doen, misschien omdat autoracen me niet echt interesseert. Het duurde niet lang, een fractie van een seconde, sneller dan een Formule 1 bolide de Tarzanbocht rondt, en toen zag ik het op mijn beeldscherm staan: James Hunt, overleden aan een hartaanval, op 15 juni 1993. ‘It makes you think, you know,’ kon ik niet laten te mompelen.
Het klaarde die zestiende juni pas op toen ik het eindpunt van mijn wandeling had bereikt. In een pub dronk ik een pint of lager en daarna nog een, en toen ik weer naar buiten stapte, liep ik plotsklaps de vrouw van het drietal wandelaars tegen het lijf. Ik vroeg haar of alles goed was gegaan, waarop ze mij vertelde dat ze soms hadden moeten schuilen, maar het toch gehaald hadden. Niets aan de hand, mooie wandeling, ‘everything’s fine, thank you’. Ze liep van mij weg, zwaaide nog één keer, en ik bedacht dat het niet anders kon dan óf zij had de twee ergens achtergelaten, óf zij hadden het met de hulp van God zelf gered.

Advertenties