Hij heeft een helm op. Dat wel ja. Maar geen beenbeschermers, armbeschermers of gebitsbeschermer. En evenmin zit er aan zijn helm een vizier dat zijn ongeschonden gezichtje voor elke beschadiging moet behoeden. En ach wat bolt zijn gele T-shirtje gevaarlijk op als wij naar beneden zoeven, Nederland uit en België in. Ik had een detachement rijkswachters moeten inhuren om elk kruispunt af te zetten.
We dalen af naar Teuven en gaan dan weer op de pedalen staan voor de beklimming van het weggetje naar de Sint Pieterskerk. Moeder de Gans blijkt gesloten, maar even verderop lonkt The Kings Head Inn. We zetten onze gehuurde ATB’s bij de racefietsen in de rekken en nemen net als die andere meer en minder afgetrainde mannen plaats op het terras, waar we een La Chouffe en een cola bestellen, plus twee maal wafels met warme krieken.
‘Die ene afdaling was gaaf,’ zegt hij, ‘die steile.’
Ik knik, bijt op mijn tong en slik de woorden in die op mijn lippen liggen: als je maar wel voorzichtig doet.
De zon schijnt nu. Het is heerlijk weer. Eindelijk. Maar de regen van de afgelopen dagen heeft de paadjes modderig gemaakt en de stenen glad. Ik wil liever op de weg blijven, maar hij verkiest de onverharde paden en uiteindelijk doen we van allebei wat.
Eerder vandaag zaten wij op een bankje hoog boven het Geuldal. We deelden een bidon met water en aten de boterhammen op die wij hadden meegenomen.
‘Waar gaat dat nieuwe boek van je eigenlijk over?’ vraagt hij opeens.
Zijn vraag verrast me, zoals hij me zo vaak weet te verrassen. Ik begin te vertellen, maar merk dat ik de aandacht van mijn eerste lezer al snel verlies.
‘Er wordt ook iemand vermoord,’ zeg ik, in een poging hem weer terug te winnen.
‘Echt?’
‘Ja.’
‘Vet!’
We staan op van ons bankje, waar ik ook de hele dag zou kunnen blijven zitten, kijkend naar het spel van licht en schaduw dat over de heuvels trekt, naar het kerktorentje van Epen, de vakwerkhuizen in het dal. Maar zoonlief roept. We stappen weer op de fiets en dalen in een razende vaart af naar de Geul.
‘Kijk,’ roept hij, wijzend met zijn linkerarm op een kruis aan een boom, ‘weer een mountainbiker uit de bocht gevlogen!’
‘Ja,’ beantwoord ik wat onze running gag is geworden, ‘maar houd alsjeblieft twee handen aan je stuur!’
De wafel is op, het bier al een tijdje. Zwaarder in de maag en lichter in het hoofd stap ik weer op de fiets. Ik kijk of zijn helm nog goed zit.
‘We gaan naar De Plank,’ zeg ik, ‘naar beneden naar Sint-Martens-Voeren en dan weer omhoog naar Ulvend.’ De kaart die wel in mijn rugzakje zit heb ik niet nodig. Zonder overdrijving kan ik zeggen dat ik het gebied als mijn broekzak ken.
Hoe vaak zijn wij hier niet geweest? Zuid-Limburg, de Voerstreek, het is het gebied van de eerste vakanties met onze zoon. Hoe vaak heb ik hem hier niet in een rugdrager rondgedragen op mijn rug? Over deze zelfde heuvels die, misschien mede daardoor, altijd een bijzonder plekje in mijn hart hebben gehouden. Ik voel zijn handjes op mijn hoofd, hoor zijn stemmetje bij mijn oor. Tot het zachte deinen van mijn pas hem in slaap wiegt en hij veilig tegen mij aan hangt, in het tuigje van zijn zitje, een dakje boven zijn hoofd.
De zachte, ronde vormen van het gecapitonneerde landschap, de zoete delicatessen, de taal die als een kinderliedje klinkt, al die dingen maken dat ik dit de kinderkamer van ons wandelen noem. Een gebied waarnaar wij blijven terugkeren, zoals met de kindertijd te doen gebruikelijk is.
Bij Ulvend draaien wij de weg naar Schey in, de Schilberg af. We steken de weg over en beginnen aan een steile klim naar Terlinden. Klimmen kan ik beter dan hij. Nog wel tenminste. Afdalen al niet meer.
Aan de overkant van de weg begint een onverhard pad aan een afdaling naar Slenaken. Eerst nog tamelijk vlak door een boomgaard en een akker, maar daarna via een steil en uitgesleten hotseknots paadje met diepe kuilen en scherpe stenen. Behendig stuitert hij de helling af. Zijn blonde haartjes piepen tussen het traliewerk van zijn helmpje door. Wat staat mij allemaal nog te wachten? Abseilen, canyoning, klettersteig, parapente? Zijn maillot jaune verdwijnt tussen de maïsvelden. Ik ben opgelucht als hij heelhuids beneden is. Nu ik nog.

Advertenties