Het was in Toscane, in de buurt van San Gimignano, het plaatsje met de beroemde torens. We waren er ’s middags heen geweest. Een beetje hoogtepuntmoe hadden we op het terras van Bar Jolly gezeten, iets gedronken en om ons heen gekeken. Het was het eind van de middag en het eind van de vakantie en het was wel goed zo, vonden we. We deden wat boodschappen, kochten wat lekkernijen en stapten in de auto. Hadden we een plan toen we wegreden? Of verdwaalden we min of meer? Ik weet het niet meer. Het is lang geleden. Hoe dan ook, we kwamen in Montauto terecht, op een heuvel een paar kilometer verderop. Op een slechte grindweg draaiden we naar boven. Een paar laatste zeer steile meters waarop de wielen bijna geen grip meer hadden en toen waren we er. Alleen maar omdat er geen mogelijkheid om te keren was geweest.
Een spitse heuveltop met een kerkje en een paar huizen, meer was het niet. Omringd door hellingen met wijngaarden, olijfbomen, akkers en bossen bood het een betoverend uitzicht op de skyline van San Gimignano. Ver beneden ons was iemand in een trekker op het land bezig. Verder waren we alleen. We gingen op een stenen muurtje zitten, plunderden onze boodschappen en snoepten daar ons avondeten, brood, grana, cacciatorini di cinghiale, finocchiona. Op het mooiste plekje op aarde. Of een van de mooiste in ieder geval.
Ik weet niet of het een aberratie is ten gevolge van mijn schrijversaard, een beroepsdeformatie zo gezegd, of dat elke reiziger het, in meer of mindere mate, heeft. Ik heb het over mijn onvermogen om een reis, een streek, een wandeling, een bezoek aan een stad, anders te onthouden dan samengevat in een beeld. Een beeld waarin alle zintuiglijke ervaringen, gedachten en reflecties gecomprimeerd lijken te zijn. Uit de chaos van indrukken moet een beeld rijzen. Anders kan ik het niet onthouden. Anders ben ik er niet geweest.
Bij wat wij daar picknickend op die heuveltop zagen, voegde zich aan het einde van de dag een ander plaatje, een dat ik een paar dagen eerder in Volterra had gezien. Het was een bronzen votiefbeeldje van een jongeman uit de 3e eeuw voor Christus. Een van die raadselachtige slanke, uitgerekte bronzen figuren die in Midden-Etrurië in de graven werden bijgezet. Ik had hem gezien in het Museo Etrusco Guarnacci. Zestig centimeter hoog was het en slechts een paar centimeter breed. Het leek verbazingwekkend modern en deed me denken aan de langgerekte vrouwen en mannen van Alberto Giacometti. De omstreden schrijver, dandy en politicus Gabriele d’Annunzio had het beeldje ooit zijn naam gegeven: Ombra della Sera, avondschaduw.
Kijkend naar het landschap en de ranke torens van San Gimignano moest ik daar aan denken, Ombra della Sera, avondschaduw, en terwijl de schaduwen zich lengden, vermengden die twee beelden zich met elkaar en werden zo tot het embleem van de vakantie. Alsof de vluchtigheid van het moment bestendigd werd in die ranke, tweeduizend jaar oude schaduw van een jongen.
Er kwam een man uit een van de huizen. Hij liep naar de rand van de heuvel, bracht zijn handen naar zijn mond en riep de naam van de man beneden. Hij herhaalde zijn roep een aantal malen. Tevergeefs. Toen verdween hij weer.
Overigens is het beeldje ooit gevonden door een boer. Bij het ploegen van zijn land. En jarenlang gebruikt als kachelpook.

Advertenties