Ze is nooit groot geweest, mijn moeder, en zwaar evenmin. Maar de jaren hebben haar, hand in hand met een aantal fysieke ongemakken, nog kleiner, krommer en lichter gemaakt dan zij al was.
‘Vijfendertig komma zes,’ zei ze gisteren, ‘en ik eet toch goed.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Natuurlijk is er altijd wel iets dat je niet zo lekker vind, maar dat heb je overal.’
Ik knikte.
We keken naar buiten, naar een verpleegster die waarschijnlijk meer dan drie keer zo zwaar was als zij.
‘Nee, het eten is hier goed,’ besloot ze.
Toen ik terug naar huis fietste vroeg ik mij af hoe zwaar mijn moeder werkelijk was. Ik bedoel: hoeveel van die vijfendertig kilo zou ik werkelijk ‘mijn moeder’ willen noemen? In haar skelet van een kilootje of veertien zou ik haar nooit herkennen. Ik begrijp trouwens niet waar die overige twintig zouden moeten zitten, maar dat terzijde.
Nee, haar hersenen, die een à anderhalve kilo zenuwcellen, laten we die apart leggen en met het etiket ’mijn moeder’ tooien. Wat wil ik nog meer bewaren? De kromming van haar neus, zeker. Het pukkeltje schuin onder haar linker oor ook, evenals dat tussen mond en neus, dat sommigen van ons van haar geërfd hebben. Het eelt op haar voeten en haar vekalkte nagels neem ik ook mee. Niet omdat ze mij zo dierbaar zijn, maar wel omdat ze bij haar horen. Datzelfde geldt voor de bijna liploze mond die nooit lippenstift heeft gekend en haar ogen, die met de jaren bleker en bleker zijn geworden, alsof het batterijtje dat ze brandend houdt bijna op is. Dat, en haar handen, of haar vingers liever. Haar lange, magere vingers, die nog steeds op dezelfde manier als veertig jaar geleden een koekje vasthouden of een afmeting aanduiden, alsof zij niet in de gaten hebben dat alles om hen heen veranderd is.
Dat is het wel zo’n beetje. Nog geen twee kilo, denk ik.
Een etensbord vol. Meer is het niet.
Tagarchief: zoon
Een blootje
Zoonlief is inmiddels 13, maar in 1999, toen wij het Singer Museum in Laren bezochten, was hij 4. Uit het gebruik van de uitdrukking ‘in mijn blootje’ had hij destijds afgeleid dat ‘blootje’ een zelfstandig naamwoord was (zonder uiteraard die term te kennen) dat zoveel betekende als ‘een lichaam zonder kleren aan’. Een woord waar je ‘mijn’ voor kon zetten, maar ook ‘het’ of ‘een’. Het was een tentoonstelling van het werk van Jan Sluyters die wij die zondagmiddag bezochten. We vonden zijn schilderijen alle drie mooi en slenterden tevreden en enthousiast door het museum. Op een gegeven moment liep zoon als eerste van ons drieën de volgende zaal in, keek om zich heen, wees op een doek en zei luid: ‘Kijk, nog een blootje.’ Sindsdien ben ik een vurig pleitbezorger voor het vervangen van de term ‘een naakt’ door het mooie ‘een blootje’.
Daar moest ik aan denken toen hij dit weekend voor school een beschouwing moest schrijven over een schilderij van Vincent van Gogh. Hij had er echt zijn best op gedaan en zijn stukje verraste me. En toch schemerde door zijn woorden nog steeds het ‘blootje’.
Gelukkig maar. Ben benieuwd hoe lang dat nog zal duren.

Zoon
De vrouw zat nog steeds voor het televisietoestel, ook toen de laatste beelden al lang in een witte sneeuw waren verdwenen. Haar blik scheerde over het apparaat heen, naar de tuindeuren en nog weer verder, de donkere nacht in. Alsof er iemand op haar schouder tikte, zo keerde ze plotseling terug, van wie weet waar, naar de huiskamer, die ze vervolgens opnam alsof ze hem voor de eerste keer in haar leven zag. Ze zuchtte diep, duwde zich omhoog uit de sofa en liep naar de ramen die uitkeken op de achtertuin. Ze keek nog een laatste keer naar buiten, de duisternis in, en sloot toen de gordijnen. Een voor een knipte ze de lichten uit; alleen bij het dressoir bleef ze even staan. Ze pakte het zilveren fotolijstje in haar ene hand en streek er met de wijsvinger van haar andere een dun laagje stof af, een gebaar dat ook een liefkozing had kunnen zijn.
‘Ik weet niet van wie hij het heeft,’ verzuchtte ze tegen het portretje van de man met een enigszins droeve glimlach. ‘Van mij in ieder geval niet.’ Ze zette het lijstje terug op het dressoir. ‘En van jou evenmin, Claus.’
Gestolen momenten
Vaak ga ik later naar bed dan mijn vrouw. Gisteravond, toen ik het licht in de slaapkamer aanknipte, lag ze op haar zij met haar hand aan haar kin, als in diep gepeins verzonken. Toen ik onder het dekbed gleed, sloeg ze haar ogen open en keek mij licht geërgerd aan, alsof ik niet haar slaap, maar haar diepzinnige gedachten had verstoord. Meteen daarna sloeg ze haar ogen neer, draaide zich om en sliep verder.
Van dat moment herinnert zij zich niets meer. Net zomin als van die andere keren dat ze even wakker werd, mij aanschouwde of ik een vreemde was, of een paar onbegrijpelijke woorden mijn kant op sprak.
Bij mijn zoontje doe ik dat ook wel eens. Even langs gaan, hem recht leggen, zijn kussen herschikken en mijn lippen tegen zijn wang duwen. Elke keer hoop ik dan dat hij wakker wordt, wat hij ook meestal doet. Aankijken doet hij mij zelden. Wel komt hij soms overeind of mompelt wat tussen zijn lippen vandaan. Soms krult zijn mondje zich in een lach. Hij prevelt een toverspreuk en slaapt weer verder. Herinneren doet ook hij zich hiervan later niets.
Alleen die momenten zijn het al waard om op te blijven. Om als laatste naar bed toe te gaan. Gestolen momenten. Alleen voor mij.
Bloempotkapsel
Afgelopen zondag de tuin voor de eerste keer dit jaar onder handen genomen. Kan niet wachten op het voorjaar. Hop, klimroos en clematissen gesnoeid. Ziet er nu opeens zo kaal uit, die muur waar zij tegenaan staan.
Moest er plotseling aan denken dat ik vroeger het haar van mijn zoontje knipte. Toen hij nog Erg Klein was. Mag er nu niet eens meer naar wijzen. Ik kon maar één kapsel: opgeknipt in de nek en bovenop alles dezelfde lengte. Doe in de tuin eigenlijk niet veel anders.
Dat heeft een tuin voor op kinderen. Dat hij zich elk jaar weer verjongt.
En nooit ouder wordt.
Poste restante
Nog drie maanden. Dan is het zo ver. In mei komt mijn nieuwe roman uit. Bij Ailantus, de nieuwe uitgeverij van mijn oude uitgever Lidewijde Paris.
Deze week is de vormgever met de cover aan de slag gegaan. Het is moeilijk om te beschrijven hoe het is als een verzameling woorden ineens een boek wordt. Je grijpt al snel naar de vergelijking met de geboorte van een kind. Als wat eerst niet meer dan een idee was, plotseling in je armen ligt.
Moet wel zeggen dat het in het geval van een boek wat gelijdelijker en met wat minder geweld gepaard gaat.
En natuurlijk, Daan, je bent mij liever dan mijn boek.
Vorst aan de grond
Vond vanmiddag om een uur of twee
in een hoekje van de tuin,
tussen de gevel van het huis en het stenen muurtje,
nog wat oude warmte van lang geleden.
Hield het even in mijn hand.
Liet het mijn lichaam verwarmen.
Maar toen ik één stap verder deed,
blies de wind het weg en voelde ik
de handen van mijn vader,
gedompeld in de koude buitenlucht,
aan weerszijden tegen mijn wang.