Er zijn altijd stukjes van de tuin die niet willen wat jij wil. Stukjes met een eigen willetje. Achter in de tuin, in de schaduw van de schuur, hebben wij zo’n stukje. Tegen de schuur groeit een klimhortensia die het hele hoekje dreigt te overwoekeren. Daarvoor staat een Kirengeshoma palmata. Daar hoor je mij niet over klagen. Alles is mooi aan deze plant: de bladeren, de stengels, de bloemknoppen, tot de zaaddozen aan toe. Het is een uiterst gemakkelijke plant, een sulletje bijna, die zelfs met een plekje in de diepe schaduw tevreden is.
Naast de Kirengeshoma heb ik jaren geleden een paar exemplaren van Ligularia przewalskii geplant. Omdat die ook zo’n mooi ingesneden blad heeft. Er is iets grappigs met die plant aan de hand: hij wandelt. Doen meer planten, dat wandelen. Elk jaar verplaatsen ze zich een stukje. Steeds een paar kleine pasjes naar links of rechts. Stiekem. Als ik even niet kijk. Van het diepste schaduwplekje naar een waar zo nu en dan toch wat zonlicht valt. Of vanuit de hoek van een border langzaam aan steeds verder naar voren.
Het zijn de migranten onder de planten. En wie ben ik om ze tegen te houden en weer terug te zetten op hun plaats? Vanuit het zonnetje weer terug de schaduw in? Voel me dan net een minister die een tiener terug naar Angola stuurt.
Tagarchief: zoon
Jan Sluijters
Gisteravond met veel plezier naar Close Up gekeken. Over de schilder Jan Sluijters. Ik heb wel eens eerder over hem geschreven hier. Kijk graag naar zijn werk. Gisteravond moest ik denken aan de column die ik een paar maanden geleden voor Buitenleven heb geschreven. Een blootje. Over Jan Sluijters. En over mijn zoon. En over schapen en blote vrouwen, maar dat klinkt zo vreemd.
Erfenis
Sinds enige tijd scheert zoonlief zich.
Soms.
Afgelopen zondag hoorde ik hem bezig in de badkamer: ik wist niet dat het zoemen van mijn Philishave vertederend kon zijn.
Ik nam het apparaat na hem ter hand. ‘Ik ben het vergeten schoon te maken,’ riep hij vanuit zijn kamer. ‘Geeft niet, dat doe ik wel,’ riep ik terug.
Het was donkerblond dons dat in het binnenste van het scheerapparaat lag. Ik keek er een paar tellen naar, klopte het toen in de wasbak en spoelde het weg.
Het is meer dan twintig jaar geleden dat mijn moeder mij aanspoorde om een blik te werpen op mijn vaders scheerapparaat. ‘Het is nog zo goed als nieuw,’ zei ze, ‘zonde om weg te doen.’ Ik liep naar hun slaapkamer, ging op het bed zitten, opende het nachtkastje en haalde het apparaat eruit. Het was een driekoppige Philishave, een tamelijk nieuw exemplaar van het model waarmee hij zich zijn hele leven lang had geschoren. Ik draaide het om in mijn hand en bekeek het van alle kanten. Het bleek een oplaadbaar model te zijn, want toen ik nietsvermoedend op een knopje drukte begonnen de koppen zo maar te draaien. Geschrokken zette ik het ding weer uit. Ik liet mijn duim over het zwarte plastic glijden en drukte uit nieuwsgierigheid op een tweede knopje dat zich iets onder het eerste bevond. Nu klapte de hele bovenkant van het apparaat open en onthulde zo een driehoekig reservoirtje waaruit de drie aandrijfstangetjes staken die de mesjes deden draaien. Rondom die drie witte puntjes, die als uitgeschoten asperges hun kopjes uit het zwarte binnenste van het apparaat staken, lag een dek van grijze stoppels. Enkele seconden lang bleef ik gebiologeerd kijken naar wat de allerlaatste resten van mijn vader moesten zijn. Aan de ene kant ontroerden die kleine, grijze haartjes mij, maar tegelijkertijd stond een zelfbewustzijn dit gevoel in de weg. Het was alsof ik een toeschouwer was van mijzelf en elke gedachte en handeling werd ergens binnenin mij onmiddellijk van commentaar voorzien. Alsof ik een personage was in een film, en niet de beste. Wat moest ik doen met het apparaat en de haartjes die het bevatte? Ik kon ze bewaren als een relikwie – maar hoe lang? Ik kon ze vermengen met zijn eigen stoppels – wat een prachtig beeld! Of ik kon ze met het daarvoor bedoelde kwastje in gootsteen of prullenbak vegen – weg ermee, al die sentimentaliteit! Ik bleef nog een tijdje zo zitten, op het bed van mijn ouders, met het apparaat in mijn hand. Voorzichtig ademend omdat ik bang was de haartjes over mijn broek te blazen. Uiteindelijk klapte ik het scheerapparaat weer dicht, legde het terug in het nachtkastje en liep naar de keuken, waar mijn moeder aardappels stond te schillen.
‘En?’ zei ze, ‘mooi ding toch?’
Ik knikte, schraapte mijn keel en zei dat ik er de voorkeur aan gaf om mij nat te scheren. Dat zij er misschien iemand anders een plezier mee kon doen.
Ik weet niet wie zich over mijn vaders erfenis heeft ontfermd.
Schoenen
Deze week nieuwe schoenen gekocht. De mooiste van west-Europa en omstreken. Vans California Midskool ’77. Konden de goedkeuring krijgen van mijn zoon. ‘Wat lijken ze klein,’ zei hij en schoot in de lach. Nu leken mijn twee maatjes 40 inderdaad wel poppenschoentjes naast zijn maat 45. Moest denken aan een notitie waar ik laatst op stuitte. Uit april 2002.
‘Zoonlief heeft nieuwe sportschoenen. Ze zien er verschrikkelijk stoer uit. “Moet je kijken hoe hard ik ermee kan rennen,” zei hij. Hij trok ze aan en sprintte naar de overkant van de straat en terug. “Zes tellen,” zei ik, “en dat met losse veters!”
Bijna acht jaar geleden.
Zijn veters zijn nog steeds los.
Dat wel.
Kerst-ommetje
Het is een kleine traditie geworden bij ons thuis – en ik houd wel van tradities. Zeker met Kerst. Op Tweede Kerstdag maken wij na het ontbijt een wandeling. En daarna gaan we ’s middags naar de film. Het is een prettig soort traditie, vind ik. Niet alleen omdat het lekker is om even de neus buiten de deur te steken, frisse lucht in te ademen en het lichaam in beweging te zetten, maar ook omdat het niet zoveel om het lijf heeft. De meeste tradities rond deze dagen zijn namelijk tamelijk zwaar en serieus van aard. Ik vind het prettig om daar iets lichts en onbeduidends tegenover te zetten. Voor de balans, zullen we maar zeggen.
De wandeling die wij maken moet daarom niet al te veel om het lijf hebben. Niets spectaculairs. Een ommetje zonder veel pretenties. Dat kan ik u overigens echt aanraden, en niet alleen met Kerst. Een wandeling over lange, rechte paden waar eigenlijk niets te zien valt. Je kunt je gedachten dan zo lekker de vrije loop laten en je aandacht laten rondzwerven. Soms wordt je dan opeens getroffen door de schoonheid van een beeld dat je al ontelbare malen moet hebben gezien. Een weide met een sloot die zich dan ineens tonen als een groen vlak met daarin een glanzende, met bibberige hand getrokken, kwikzilveren streep. En aan weerszijden daarvan, om het te vervolmaken, een tweetal zwanen in perfecte symmetrie. Mooi is dat.
>lees verder
Applecrumble
Vanmorgen moest zoonlief tennissen. Dauw en zon deden de mazen van het net glinsteren als beslagen met honderden diamantjes. Een service tegen de netband sloeg hen aan gruzels. De hoop op overwinning ging dezelfde weg.
Thuisgekomen de tuindeur open. Krant, kopje koffie. Zien hoe Ajax verliest van Utrecht. Rondje joggen. Applecrumble gemaakt van de appels die ik vorige week op Olmenhorst heb geplukt. De herfst smaakt naar kaneel, ja.
Glaasje wijn. Nog steeds de deuren open, tot na het avondeten zelfs. Een dag die niet kapot te krijgen is. Zelfs niet door twee verliespartijen. Het is niet mijn favoriete jaargetijde. Zal het ook noooit worden. Maar zo mag het van mij herfst zijn.
April is the cruellest month
Vorige week stond ik aan het einde van een zonnige dag buiten, in de achtertuin. Het was het begin van de avond, net na het avondeten. Terwijl ik naar de tuin stond te kijken, waar ik door omstandigheden dit jaar nog veel te weinig aan heb gedaan, hoorde ik een geluid dat ik meteen herkende: het stuiteren van een bal in het gangetje tussen ons huis en dat van mijn buurman. Het gangetje voert naar het voetbalveldje hier in de wijk en wordt veelvuldig gebruikt door kinderen. De stuit van de bal op de trottoirtegels wordt weerkaatst door de muren van onze huizen. Een echo is het niet echt, een galm evenmin. Het is alsof het geluid van de bal wordt overgenomen door de muren en versterkt wordt doorgegeven. Ja, alsof de twee muren, die op niet meer dan krap vier meter van elkaar staan, elkaar het geluid toeroepen: kabauwwauw, kabauwauw, kabauwauw. Hartslag van de jeugd. Hartslag van de zomer.
En meer nog dan de langer wordende dagen, de uitbottende struiken of de crocusjes, narcissen en andere voorjaarsbloemen die zich tonen, is het dit geluid dat voor mij de komst van de zomer aankondigt.
Ik luisterde naar het wegstervende stuiteren van de bal. Naar de zachter wordende stemmen van mijn overbuurman en zijn zoontje. En plotseling vroeg ik mij af of ik ooit zelf nog een balletje zou trappen.
Met het ouder worden van mijn zoon is wellicht mijn laatste alibi verdwenen.
Lekker belangrijk
Ik begrijp niets van de knieval voor het populisme die politici in het klimaatdebat nu plotseling maken. En van de gretigheid waarmee journalisten op diezelfde politici inhakken evenmin. Angst. Angst en opportunisme, anders kan ik het niet verklaren. Nederland loopt niet voor 55, maar voor 26% onder water. God, wat hunker ik naar een politicus die zegt dat 26% hem meer dan genoeg lijkt. Of nog liever een reactie in de stijl van mijn zoon: ‘Lekker belangrijk.’
Op mijn stem zou hij of zij kunnen rekenen.
Aangloeien
Verderop in de gang van het verzorgingshuis staat een groepje verzorgsters en verpleegsters te praten. Ze maken handgebaren, knikken, overleggen; een schiet er in de lach.
‘Mevrouw B. is uit haar bed gevallen,’ verklaart mijn moeder als ik haar ernaar vraag. Naar buiten starend blijft ze met haar rollator middenin de kamer staan. ’Je vraagt je af hoe je uit je bed kan vallen,’ peinst ze, ‘ik draai me ook tien keer per nacht om, maar ik ben nog nooit uit mijn bed gevallen.’
Ik heb haar wakker gemaakt: toen ik het halletje binnenstapte, betrapte ik haar bij het opzetten van haar bril. Ik knip het koffiezetapparaat aan dat zij al heeft klaargezet, berg haar boodschappen op en hang mijn jas op. Ik schenk koffie in, leg de meegebrachte gevulde koeken op een schoteltje, ga tegenover haar aan tafel zitten en zeg iets over het weer. Ze is er met haar gedachten nog niet helemaal bij, mijn moeder. Op zulke momenten, gewekt uit een van haar hazenslaapjes, heeft ze even tijd nodig. Ze moet aangloeien, als een spaarlamp of een ouderwetse buizenradio. Ik vraag me af of die opstarttijd toe zal nemen, in duur of in frequentie, en of ik er getuige van zal zijn als dat zwakke gloeien niet meer in staat zal zijn een licht te ontsteken in de schemering van haar geest.
Ze drinkt haar kopje leeg: de koffie doet haar zichtbaar goed. Ze pakt een van de lijstjes die ze maakt erbij om te zien wat ze mij vandaag allemaal moet vragen. Bij de eerste regel vonken haar ogen en krijgt haar huid zowaar wat kleur. ‘Ach,’ zegt ze, ‘nou wordt-ie helemaal mooi.’ Ze schiet overeind en zonder rollator komt ze op mij af. ‘Het is toch erg, hè, vergeet ik daar mijn hele kind.’
Ik ben jarig. Achtenveertig.
Mens en dier
Met dieren heb ik niets. En met het thema van deze boekenweek al even weinig. Ik kom ze wel eens tegen. Op wandelingen, of in mijn tuin. Soms vind ik dat leuk en soms ook niet, maar een dierenliefhebber ben ik niet. Datzelfde zegt mijn moeder van mijn vader. Dat hij geen dierenvriend was. ‘Hij zou ze niets doen,’ zegt ze dan, ‘maar een liefhebber was hij niet.’ Van die zegswijze moet ik altijd glimlachen. Alsof het een reële optie was om elk dier dat hem voor de voeten kwam, wél iets te doen. Dat het alleen uit goedertierenheid was dat hij niet maaiend met een kalashnikov over straat ging om elke hond, kat of vogel neer te leggen. Zo was mijn vader niet, nee.
Ook ik zal ze over het algemeen niets doen. Er hooguit eentje nuttigen op z’n tijd. Al sla ik de genade van mijn vader hoger aan dan die van mij.
Overigens mag men mij later op dezelfde wijze herinneren. ‘Hij zou ze niets doen, maar een mensenvriend was hij niet.’ En dat mijn zoons mond dan even moge krullen.

