Mijn vrouw kijkt uit naar de winter. Zij houdt van sneeuw en ijs, schaatsen en skiën.
Ik niet. Ik houd wel van de winter, hoor, dat is het niet. Maar de winter is voor mij de tijd van binnen. Van Sint en Kerst, dat wel, maar niet van wintersport.
Ik krijg juist de neiging om mij terug te trekken in mijn hol. Met een hoge stapel boeken en veel calorierijk comfort food: chocolade, appeltaart, stoofschotels, specerijen en dikke soepen.
‘Kan er niks aan doen,’ zeg ik tegen vrouwlief, ‘kijk maar naar de natuur, het is evolutionair bepaald.’
Zij heeft absoluut geen last van dit soort dingen. Krijgt juist zin om dingen aan te pakken en op te ruimen.
Zij zegt: ‘Zullen we het siergras afknippen, die verdroogde halmen waaien door de hele tuin.’
‘Zonde van het wintersilhouet,’ verzucht ik en nestel me in een hoekje van de bank.
Tagarchief: winter
Schepijs
Winter in Nederland: schaatsen op tv. Ik maak een wandeling bij mij achter door de Middelpolder. Zon, wind, een restje vorst. Vogels kruipen bij elkaar. Hier de meeuwen, daar de waterhoenders, op een ander perceel de ganzen, zelfs de eenden en smienten zitten niet bij elkaar.
Segregatie in de natuur.
Hier en daar ligt nog een dun laagje ijs op de vaart. Alsof je er met een lepel zo een mooie krul vanaf kan scheppen. De zon zakt langzaam achter de bomen. De wind voert hockeygeluiden mee: een stick, een bal tegen de plank, een kreet.
Dat, en het beeld van blozende wangen.
En een meisjesdij met kippenvel.
A rose is a rose is a rose
Ik hoorde het woord voor de eerste keer - wanneer was het, vrijdagavond, zaterdagochtend? Motsneeuw. Wist niet dat het bestond. Wist wel wat ik mij erbij moest voorstellen. Vroeg me af of ik het lelijk vond of toch juist mooi. Het woord dan. Niet het weer. De korte, botte klank van het eerste deel en de zachte verzuchting die het tweede is, gaan een vreemde combinatie aan. Of eigenlijk geen. Ze binden niet. Fascinerend woord, vond ik, en ik wilde er iets over schrijven.
Tot ik vandaag een tweede woord zag dat eveneens nieuw voor mij was. Maar van dit woord weet ik zeker dat het, in tegenstelling tot motsneeuw, ook werkelijk nieuw is. Dit woord is mooi, mysterieus mooi, dadaïstisch mooi. Paul van Ostaijen, Boem Paukeslag. Pure poëzie. Een woord dat rollebollend van je tong af rolt. Het duin af, zo het strand op, zomerdag en kindertijd: witte jurk en strooien hoed. Mooi. Het woord dan.
Ook bij dit woord wist ik direct wat ik mij erbij voor moest stellen. Heeft u zich wel eens afgevraagd hoe hard 140km per uur nu eigenlijk is? Rodeldode. Sinds vrijdag weten we het.
Natuurlijk (3)
Vorige week zondag joggte ik samen met zoonlief een rondje door het natuurgebied achter onze wijk. Het was wit. Er lag nog sneeuw en ijs en substanties die daartussen het midden hielden. U hoort het al: een liefhebber van de winter ben ik niet. Maar om doorheen te rennen was het een bekoorlijk landschap, ik kan niet anders zeggen. Zeker wanneer je het doet samen met je zoon. Al neem ik dan ook met een industrieterrein genoegen.
Halverwege ons rondje zagen we bij een slootje een reiger staan. Zoals ze meestal doen, reigers. Ik vraag me altijd af of zij iets zien dat ik niet zie, of dat ze simpel van geest naar een morsig slootje staan te staren. Of om met Louis van Gaal te spreken: ‘Ben ik nu zo slim of ben jij nu zo dom.’ Maar met deze reiger was toch wel iets bijzonders aan de hand: hij was wit, witter dan alle sneeuw en ijs om ons heen. Ik wees mijn zoon erop die zijn schouders ophaalde en zei: ‘Dat zijn ze toch altijd.’
Thuisgekomen was ik het beest eerlijk gezegd al weer vergeten. U hoort het al: een echte vogelaar ben ik niet. Maar afgelopen zondag hoorde ik Koos van Zomeren in zijn column op de radio iets zeggen over een sneeuwwitte Zilverreiger en toen schoot hij me weer te binnen, de vogel die ik had gezien. Ik zocht op internet naar een plaatje van de Zilverreiger en verdomd, het was hem echt. Schijnt tamelijk zeldzaam te zijn. Wat met terugwerkende kracht ons rondje iets bijzonders gaf.
Afgelopen zondag rende ik hetzelfde rondje, maar van de Zilverreiger nu geen spoor. Bleef wel zitten met de vraag waarom ze het dier nu de naam Zilverreiger hebben gegeven. Die lijkt me nu echt veel meer geschikt voor zijn grijze soortgenoot.
Assepoester
Het natuur- en recreatiegebiedje achter mijn huis waar ik mijn rondjes jog, ging het afgelopen weekend, net als de rest van Nederland, gehuld in een sprookjesachtig wit en glinsterend gewaad. Vandaag was de betovering verbroken en was het weer zo mooi of lelijk als altijd. Ik rende over de zompige paden en het doorweekte gras. De bomen stonden er met lege handen en er hing een grijze nevel boven de velden die geen licht doorliet. Het deed me denken aan een meisje dat één avond lang in de schijnwerpers had mogen staan en nu weer tot haar muizig bestaan was veroordeeld. Slechts in de slootjes lag nog een vliesdun laagje viezig ijs. Als een klontertje mascara in een hoekje van haar oog.

Smeltwater
Het was vanmorgen. Toen na een paar hevige najaarsbuien de zon doorbrak. Plotseling moest ik denken aan dat moment in winters, als er sneeuw op het dak ligt en de zon schijnt. Dat geluid, van smeltwater dat van de dakpannen loopt en kabbelend door dakgoot en regenpijp de grond in verdwijnt. Fijn geluid is dat. Alsof je met je voeten in een beekje zit. De zon op je gezicht. Winter die doet alsof het zomer is. Zouden we dat nog eens meemaken? Toen even later de regen weer tegen de ramen vlaagde, wist ik weer dat het herfst was.
Vorst aan de grond
Vond vanmiddag om een uur of twee
in een hoekje van de tuin,
tussen de gevel van het huis en het stenen muurtje,
nog wat oude warmte van lang geleden.
Hield het even in mijn hand.
Liet het mijn lichaam verwarmen.
Maar toen ik één stap verder deed,
blies de wind het weg en voelde ik
de handen van mijn vader,
gedompeld in de koude buitenlucht,
aan weerszijden tegen mijn wang.